Armoede in Nederland

Hoeveel Nederlanders kunnen als arm worden beschouwd? Deze simpele vraag, die in hoge mate relevant is voor de inkomenspolitiek, blijkt helemaal niet zo eenvoudig te kunnen worden beantwoord. Dat komt doordat het antwoord afhangt van de vraag welke definitie van armoede wordt gebruikt en welke criteria worden gehanteerd. In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben drie economen, B.M.S. van Praag, A. Bispo en P.J.A. Stam, een studie uitgevoerd waarin het voorkomen van armoede in Nederland in kaart wordt gebracht.

De onderzoekers gaan er van uit dat armoede een cultuurgebonden begrip is. Ze zien armoede als een gevoelstoestand, die niet alleen bepaald wordt door materiële, maar ook door culturele en sociale factoren. Het toepassen van alleen het inkomen als een ééndimensionale armoedemaatstaf is naar hun oordeel dan ook niet altijd toereikend om een arm huishouden te identificeren.

De uitkomsten van het onderzoek zijn gebaseerd op de gegevens van een grootscheepse enquête van de dagbladen die een samenwerkingsverband hebben met de Gemeenschappelijke Pers Dienst (GPD), 'De Staat van het Land'. Daarin werden gegevens verzameld over inkomen uitgaven en psychisch welbevinden.

Daar er geen uniforme opvatting bestaat over de definitie van armoede hebben de onderzoekers twee objectieve en twee subjectieve maatstaven gebruikt. Uit de studie komt naar voren dat de subjectieve maatstaf leidt tot ongeveer 3,4% armoede in Nederland. Deze armoede is sterk geconcentreerd bij alleenstaanden en éénoudergezinnen. Bij gebruik van objectieve maatstaven worden de armen juist gevonden in huishoudens bestaande uit een groot aantal personen. Deze objectieve methoden komen ook tot veel hogere schattingen van het aantal arme huishoudens, namelijk resp. 10,2% en 6,9%.

Volgens de halfgemiddelde-methode, die ervan uitgaat dat de armoedelijn de helft bedraagt van het gemiddelde inkomen, zou een vierpersoonshuishouden een netto maandinkomen van iets meer dan 2500 gulden moeten hebben om als niet arm te worden beschouwd. Bij het subjectieve criterium ligt dit op iets meer dan 1500 gulden netto per maand.

Het verschil met de objectieve armoede-concepten ligt in het feit dat de subjectieve methoden uitgaan van de veronderstelling dat economische subjecten hun eigen financiële en sociale situatie zelf het best kunnen beoordelen. Dit houdt in dat huishoudens, die volgens een specifieke subjectieve armoede-definitie als arm worden geïdentificeerd, zichzelf ook als arm beschouwen.

Tweederde van de armoede blijkt te zijn geconcentreerd bij de niet-actieven. Dit wil niet zeggen dat alle inactieven ook tot de armen behoren. Zo blijkt dat 97% van de gepensioneerde inactieven niet arm is.

Arme huishoudens maken procentueel meer aanspraak op uitkeringen dan niet-arme huishoudens. Toch is de helft van de huishoudens die bijstand ontvangen niet arm te noemen. Van het aantal huishoudens dat WAO/AAW ontvangt is maar 10% als arm te beschouwen.

Op grond van hun bevindingen menen de onderzoekers te kunnen vaststellen dat er geen sprake is van een tweedeling in de samenleving, waarbij actief/inactief overeenkomt met arm/niet arm. Ze komen tot de conclusie dat er in ons land maar een kleine klasse van armen is, maar deze mensen hebben het relatief wel zwaar te verduren, niet alleen wegens gebrek aan geld, maar ook als gevolg van sociale en psychische gevoelens van deprivatie.

In deze studie wordt het beeld bevestigd dat armoede in het algemeen stoelt op persoonlijke eigenschappen, waardoor iemand minder goed zijn plaats in de maatschappij kan vinden.

We naderen met deze conclusie de Amerikaanse opvatting dat armen losers zijn die hun armoede aan zichzelf hebben te wijten. Het zijn deze uitkomsten die twijfel wekken aan de relevantie van het rapport voor het beleid. Het reikt immers geen objectieve maatstaven aan voor de bepaling van ijkpunten als het sociale minimum of de hoogte van een basisinkomen als dat ooit actueel wordt. Het zou zelfs gebruikt kunnen worden als alibi voor een beleid dat de sociale zekerheid wil beperken tot een systeem van behoeftevoorziening voor mensen 'die het echt nodig hebben' en daarom de uitkeringen bevriest en het AOW-bodempensioen verder uitholt.

    • A.F. van Zweeden