Operaplan in Den Haag biedt allure maar ook slecht zicht

Hoogst opmerkelijk is het vorige week bekendgemaakte plan van de stichting Opera aan het Spui om een opera met 1800 zitplaatsen te bouwen in Den Haag - een stad met grote financiële problemen en een stad zonder veel enthousiaste uitgaanders.

Het plan is niet alleen opmerkelijk omdat het voor de financiering slechts gedeeltelijk een beroep doet op de overheid. Nog opzienbarender is het eerste ontwerp van het Amsterdamse architectenbureau Onno Greiner Martien van Goor. Het zou Den Haag een opera opleveren van een in Nederland totnutoe ongekende klassieke allure: een traditionele zaal met vijf balkons boven elkaar. Het is een type dat we kennen uit Milaan (de Scala), Wenen (de Staatsoper), Londen (Covent Garden) en New York (de Met).

De opera moet komen op de plaats van de parkeergarage aan de Amsterdamse Veerkade in het nieuwe bestuurlijke en culturele hart dat Den Haag bouwt rond het Spui. Daar staan al de nieuwe zalen van het Residentie Orkest en het Nederlands Danstheater en zijn het nieuwe Haagse stadhuis en bibliotheek in aanbouw.

Aan de overzijde van het Spui staan de fraai gerestaureerde Nieuwe Kerk, die een culturele bestemming heeft, en het nieuwe Theater aan het Spui van Herman Hertzberger. Daarachter zou de nieuwe opera moeten komen. Het plan is afkomstig van Carel Birnie, de voormalige zakelijk leider van het Nederlands Danstheater. Hij was jarenlang de stuwende kracht achter de bouw van de nieuwe zaal van het Nederlands Danstheater (architect: Rem Koolhaas), die uiteindelijk werd gerealiseerd in samenwerking met het Residentie Orkest, waarvoor architect Van Mourik een zaal bouwde. Dat de beide kunstinstellingen eigenaar zijn van hun eigen zaal, is een voor Nederland vrijwel uniek maar voor het overige wel typisch Haagse verschijnsel: ook Toneelgroep De Appel van Erik Vos bezit zijn eigen onderkomen.

De nieuwe opera zou worden bestemd voor opera- en musicalvoorstellingen uit binnen- en buitenland - vooral in seriebespelingen - en concerten met grote buitenlandse sterren. De directie van het Amsterdamse theater Carré en impresario's zijn enthousiast over de plannen en willen graag meewerken aan de organisatie van de bespeling.

Het gebouw zou inclusief verhuurbare horecaruimte en een aantal appartementen 45 miljoen moeten kosten. Van de gemeente wordt gevraagd de grond gratis ter beschikking te stellen - net zoals dat het geval was bij het dubbelcomplex aan het Spui - en een rentedragende lening van 25 miljoen te verstrekken, de rest moet elders worden geleend.

De gemeente Den Haag staat niet negatief ten opzichte van het “pril” genoemde plan, maar weigert verder bij te dragen in de kosten van exploitatie en bespeling van het theater. De Haagse gemeentebegroting vertoonde nog maar kort geleden een gat van een kwart miljard gulden. En er komen nieuwe rekeningen aan van vele tientallen miljoenen voor de renovatie van Gemeentemuseum en Koninklijke Schouwburg. De financiële basis voor het operaplan is smal: ook het volstrekt commercieel geëxploiteerde Scheveningse Circustheater van Joop van den Ende behoeft nog sponsoring van de VSB-bank.

Het opmerkelijkste aan het plan is echter de grote cirkelvormige zaal met vijf balkons voor in totaal 1800 toeschouwers, 150 meer dan het Amsterdamse Muziektheater. Greiner en Goor grijpen met hun ontwerp terug naar het baroktheater. Dat staat wel garant voor een goede akoestiek maar ook voor slechte zichtlijnen en nekkramp voor het publiek op de zijbalkons. Dit theatertype werd al in de achttiende eeuw gedeeltelijk verlaten door de Franse architect Ledoux, die in Besançon een theater bouwde met naar achteren gedrongen balkons, om het zicht te verbeteren.

Wagner bouwde een eeuw later in zijn balkonloze Festspielhaus in Bayreuth de 'democratische' waaiervormige tribune met ideale zichtlijnen. De Haagse zaal van het Danstheater heeft vrijwel dezelfde vorm, ontleend aan het antieke Griekse theater, mèt uitstekende akoestiek.

De zaal van het Muziektheater in Amsterdam, ooit ontworpen door Bijvoet en Holt en overgenomen door Dam en Holzbauer, is een mengvorm van die twee theatertypes: een brede waaier met daarboven twee balkons, deels ook met slecht zicht. Door gebrek aan reflectie rond de orkestbak is de akoestiek problematisch.

De breedte van de toneelopening zou in Den Haag zestien meter moeten worden, een conventionele maat die geschikt is om de meeste reizende produkties te kunnen tonen. In Amsterdam is die toneelopening met maximaal zo'n 24 meter zelfs een van de breedste ter wereld. Het is erg verstandig dat men in Den Haag die Amsterdamse zaalvorm niet navolgt. Maar het teruggrijpen op een zaaltype met al eeuwen bewezen moeizame zichtlijnen voor een deel van de toeschouwers lijkt weer erg onverstandig.

    • Kasper Jansen