Museumdirecteur van noodlijdende Hermitage brengt bliksembezoek aan Maastricht; Kunst verdwijnt uit musea in chaotisch Rusland

In verband met de tentoonstelling 'Schatten uit de Hermitage' die op de kunstbeurs in Maastricht te zien is, bracht de directeur van het grootste museum ter wereld, Mikhail Pjotrovski, een bliksembezoek aan ons land. Een gesprek over onder meer de problemen van de Hermitage in St Petersburg.

Het dak lekt al sinds de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog luchtaanvallen op de stad uitvoerden. De funderingen zijn aangetast door het grondwater en gevels hebben te lijden van luchtverontreiniging. Er is geen goed klimatologisch systeem en de beveiliging op de 300 opengestelde zalen en in de depots laat te wensen over. Voor onderhoud van de uit meerdere paleizen bestaande Hermitage, voor conservering van de kunstcollectie en alle andere 'overhead'-kosten heeft Mikhail Pjotrovski per jaar tussen de tien en vijftien miljoen dollar nodig. Een renovatie van alle gebouwen kost tussen de tweehonderd en driehonderd miljoen dollar. Pjotrovski krijgt twee miljoen dollar subsidie van de Russische regering. Nog eens twee miljoen dollar verdient de Hermitage zelf, uit catalogus- en kaartverkoop. “Voor iedere service, van het ophangen van een jas tot het leveren van kunsthistorische expertise, laten we tegenwoordig betalen,” zegt Pjotrovski. “We moeten wel.”

Pjotrovski is een nieuw soort museumdirecteur in Rusland. Geen starre stalinist, zoals zijn interim-voorganger Vitalii Soeslov, maar iemand die zijn blik bewust op het Westen richt. Hij spreekt vloeiend Engels, is voor een Russische directeur tamelijk jong - nog geen zestig - en speelt in op de nieuwe eisen die de markteconomie aan zijn museum stelt. Sinds zijn aanstelling in 1992 organiseert hij gesponsorde tentoonstellingen in West-Europa met kunstvoorwerpen uit de Hermitage, om de naamsbekendheid te vergroten en geld voor restauratie bijeen te garen. Zo gaat twintig procent van ieder verkocht kaartje bij de tentoonstelling 'Het Rijk der Scythen' - op dit moment in de Nieuwe Kerk in Amsterdam - naar de Hermitage, waar de collectie vandaan komt. Ook de tentoonstelling van uiterst kostbare en fragiele Hermitage-schatten, die op The European Fine Art Fair in Maastricht is te zien, wordt ruim gesponsord. En in ruil voor een tentoonstelling over Boeddhistische kunst die later dit jaar in Wenen te zien zal zijn, krijgt Pjotrovski kunsthistorische en technische hulp voor de renovatie van zijn museum.

Onder Stalin kwam de Sovjet-regering aan harde valuta door onder andere op grote schaal kunst aan het Westen te verkopen. Honderden uiterst kostbare Fabergé-eieren werden in de jaren dertig geveild, uit het paleis van de vroegere familie Stroganov werd een belangrijk deel van de collectie oude meesters verkocht, en ook de Hermitage kreeg een forse aderlating. “Een ordinaire uitverkoop”, noemt Pjotrovski het. Tussen 1928 en 1934 verdwenen de kostbaarste bezittingen uit het Winterpaleis. Twee van de vijf Raphaëls, 24 van de 42 Rembrandts, Jan van Eyck, Botticelli, Titiaan, Veronese en Van Dijck werden verkocht. Veel daarvan kwam terecht in de particuliere collectie van de Amerikaanse aluminiumkoning Andrew Mellon. Ook Duitse musea kwamen zo relatief goedkoop aan topstukken.

Geen haar op het hoofd van Pjotrovski die er aan denkt om nu opnieuw kunst uit de collectie van de Hermitage te verkopen, ook al is de situatie nog zo nijpend. Bovendien heeft een decreet van president Jeltsin in mei 1993 de handel in kunst van vóór 1900 aan banden gelegd.

De UNESCO heeft vorig jaar een plan opgesteld voor de restauratie van het Winterpaleis. Tot nu toe is alleen de Nederlandse overheid met een bedrag van 1,2 miljoen dollar over de brug gekomen. Voor de resterende 198,8 miljoen dollar zijn nog geen geldschieters gevonden, zelfs niet de Duitse regering die er veel aan is gelegen goodwill in Rusland te kweken met het oog op de teruggave van Duitse oorlogsschatten.

Speelt een kwestie als de teruggave van de tekeningen uit de Koenigs-collectie (een collectie oude tekeningen die in 1940 door de Rotterdamse havenbaron H.G. van Beuningen aan de Duitse bezetters werd verkocht en na de oorlog door het Rode Leger als oorlogsbuit uit het bezette Duitsland naar de Sovjet-Unie is meegenomen) bij deze snelle Nederlandse schenking een rol?

“Nee, er bestaan historisch gegroeide relaties tussen St Petersburg en Holland. Die 1,2 miljoen dollar heeft niets met de Koenigs-collectie te maken. Het is nooit aan de orde geweest in de onderhandelingen. Bovendien ligt de Koenigs-collectie in Moskou en niet in St Petersburg.”

Maar volgens Nederlandse en Russische kunsthistorici is er in 1957 een lijst in de Sovjet-Unie opgesteld, waaruit bleek dat twee tekeningen uit de Koenigs-collectie destijds zijn overgebracht naar de Hermitage. De rest bleef in het Poesjkin-museum in Moskou.

“De Hermitage heeft geen enkele tekening uit de Koenigs-collectie. Die lijst uit 1957 was niet accuraat. Wat daar stond was de Koenig-collectie, die komt uit Wenen, en niet de Koenigs-collectie die uit Holland komt. Speurders hebben zich altijd in een 's' vergist.”

Misschien herbergt de Hermitage geen tekeningen uit de Koenigs-collectie, maar bekend is wel dat zich ook in de Hermitage geheime depots bevinden, Trofeeëndepots, waar door de Sovjets uit Duitsland geroofde kunstschatten in het geheim werden opgeslagen. Wat vindt u dat er met de inhoud van deze depots moet worden gedaan?

“De geheime depots moeten worden opengesteld en de kunstwerken daarin tentoongesteld. Ik ben niet voor plompverloren teruggave. Enige compensatie voor de schade die de Sovjet-Unie tijdens de oorlog heeft geleden mòet er zijn, bijvoorbeeld in de vorm van kunstwerken. Hoeveel, dat wordt het onderwerp van discussie.”

De kunstwerken in de geheime depots zijn meestal niet geïnventariseerd. Dit maakt ze kwetsbaar voor diefstal en verduistering. Hoeveel verdwijnt er op de zwarte markt?

“Ontzettend veel. De huidige situatie in de Russische Federatie is te vergelijken met de chaotische toestand in Duitsland vlak na de oorlog. Archeologische vindplaatsen in Rusland en de Oekraïne worden op dit moment leeggeroofd door avonturiers. Er is geen enkel toezicht. Ook uit musea verdwijnt kunst. Van de tienduizend kunstvoorwerpen die de Hermitage op last van Stalin in de jaren dertig aan kleinere musea in de provincie moest afstaan, vanuit de gedachte 'De groten helpen de kleintjes', is ontzettend veel verdwenen. Verhandeld via het illegale circuit en terechtgekomen in privé-collecties, vermoeden wij. Komt kunst daar eenmaal terecht, dan is ze spoorloos.”

Een ander probleem waar het Poeskjin-museum maar ook de Hermitage zich op het moment mee geconfronteerd ziet, is de eis om teruggave van kunstschatten van vroegere Sovjet-republieken. De Oekraïne bijvoorbeeld, roept sinds 1992 steeds luider om teruggave van de goudschat der Scythen, die nu in het bezit is van uw museum. Wat vindt u van deze claim?

“Die is volkomen ongefundeerd. De Scythen leefden in een tijd dat Rusland noch de Oekraïne bestonden. Bovendien hebben Russische archeologen uit de Hermitage in de negentiende eeuw de Scythische grafvondsten gedaan. De Hermitage heeft geen enkele officiële claim gekregen van de Oekraïense overheid. Dus waar praten we over? En al zou de Hermitage een claim krijgen: kan men in Kiev de schatten dan goed conserveren en beveiligen? Musea moet je niet overhoop halen. De Hermitage is een historisch gegroeide constructie die intact moet blijven.”

    • Lucette ter Borg