'Landen concurreren niet met elkaar zoals bedrijven doen'

De Amerikaanse topeconoom Paul Krugman bestrijdt de opvatting van president Clinton dat een land vergeleken kan worden met een onderneming die op de globale marktplaats concurreert. 'Nationaal concurrentievermogen is een kreet die geen deel uitmaakt van de economische theorie'. En: 'In Jacques Delors' witboek staat ook veel onzin'.

Als ik op een matig verlichte gang in het hoofdgebouw van de Stanford University in Palo Alto (Californië) het naamplaatje op de deur van kamer 270 probeer te ontcijferen, hoor ik naast me: “Hi there.” “I am looking for professor Paul Krugman”, meld ik een donker-bebaarde dertiger op Nikes, in jeans en met bliksemende ogen, die uit het niets lijkt opgedoken. “O.K., thats me!” We betreden de met stapels boeken, computeruitdraaien en lege mineraalwaterflessen gevulde werkkamer van Krugman, één van Amerika's meest respecteerde experts in internationale handel en financiën, normaal hoogleraar aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) maar het lopende semester gastdocent op Stanford.

Paul Krugman heeft zich tot een genadeloze criticaster van president Clintons assertieve handelsbeleid ontwikkeld. Hij gaf daar alleen al deze maand blijk van in een fel artikel op de opiniepagina van The Wall Street Journal, een venijnige verhandeling in het laatste nummer van het tijdschrift Foreign Affairs, en in zijn laatste boek 'Peddling Prosperity: Economic Sense en Nonsense' (W.W.Norton & Co, maart '94).

Nadat we ons in de chaos letterlijk een werkplek hebben gecreëerd, vertelt Krugman: “Ik ontmoette de kandidaat Clinton in de zomer van '92 met een groepje economen. Hij vroeg ons: hoe kunnen wij ons concurrentievermogen ten opzichte van het buitenland vergroten? Wat kunnen wij doen om alle hoogwaardige industriële banen terug te krijgen die wij door de buitenlandse concurrentie verloren? Omdat ik van de aanwezigen als de handelsexpert gold, keek men naar mij. Ik zei: 'Gouverneur, zo moeten we er niet naar kijken. In werkelijkheid is die buitenlandse concurrentie voor ons niet zo moordend; en maar een klein deel van het industriële banenverlies wordt veroorzaakt door externe oorzaken.' Er volgde een lange onplezierige stilte. Ik had het verkeerde antwoord gegeven. Het was duidelijk dat Bill Clintons mening allang was gevormd en dat hij de daarbij passende antwoorden verwachtte.”

Zo bleef de Democraat Paul Krugman - tot zijn onuitgesproken maar waarneembare teleurstelling - buiten het 'Clinton-team', in tegenstelling tot collega's als Paul Reich (nu minister van arbeid) en Laura Thyson (voorzitter van het comité van economische adviseurs). “Die schermen de president nog altijd af tegen afwijkende opinies op dit punt”, klaagt de topeconoom.

Tot de gangbare misvattingen in het Clinton-kamp die volgens Krugman met voorrang moeten worden gekraakt, behoort de stelling dat iedere natie is 'als een onderneming-in-het-groot die concurreert op de globale marktplaats'. “Zo'n cliché leidt tot handelsacties, zoals nu tegen Japan, waarvan de risico's de mogelijke baten ver overtreffen”, vreest Krugman. “Landen concurreren niet met elkaar zoals bedrijven dat doen. Cola en Pepsi zijn totale rivalen. Slechts een verwaarloosbaar deel van Cola's verkopen gaat naar Pepsi-employé's en de Pepsi-werkers nemen een minimaal deel van de Cola-produktie af. Anders gezegd: Pepsi's afzetsucces gaat vrijwel geheel tenkoste van Cola en andersom. Bij concurrerende industrielanden ligt dat heel anders. Zij verkopen ook wel produkten die met elkaar concurreren maar ze zijn tegelijk elkaars voornaamste afzetmarkten en leveranciers van nuttige importen. Als Amerika dus ergens baat bij heeft, is het wel bij florerende Europese en Japanse economieën die grotere afzetmarkten voor Amerikaanse produkten bieden en betere produkten tegen lagere prijzen sturen. En andersom natuurlijk.”

Professor Krugman wijst er dan ook op dat de onder veel politici populaire term 'nationaal economisch concurrentievermogen' in serieuze economische tekstboeken ontbreekt. “De kreet maakt gewoon geen deel uit van de economische theorie die op universiteiten wordt gedoseerd. Want de theorie van de internationale economie zoals die de laatste twee eeuwen is ontwikkeld, ziet handel doorgaans als een geheel van merendeels wederzijds-voordelige uitwisselingen, niet als een competitie tussen winnaars en verliezers. En als het concurrentievermogen ter sprake komt, dan alleen in de context van specifieke industrieën of in die van wisselkoersmanipulaties: wanneer bijvoorbeeld een overgewaardeerde munt tijdelijk de produkten van een land uit de wereldmarkten prijst.”

Dat 'nationaal concurrentievermogen' voor veel politici een attractief begrip is, valt wellicht niet alleen te herleiden tot hun onwetendheid, vermoedt Krugman. “Het biedt schijnbaar eenvoudige oplossingen voor complexe economische problemen, er kunnen moeilijke keuzen mee worden omzeild, en het appelleert gemakkelijk aan patriottistische sentimenten.”

President Clintons 'fixatie' op het nationale concurrentievermogen op de wereldmarkten heeft, volgens Paul Krugman, deze maand geleid tot 'extreem gevaarlijke actie' jegens Japan. “Zelfs als je beaamt dat Japan die en die barrière heeft opgeworpen tegen Amerikaanse produkten, dan nog zou de inwilliging van de Amerikaanse eisen een voordeel van ongeveer twee miljard dollar opleveren, de prijs van één B-2 bommenwerper. Dat is eendertigste van één procent van het Amerikaanse bruto nationale produkt. Het is crazy om zo te gaan met één van onze voornaamste handelsrelaties. Zulke handelsconflicten verwoesten geen economieën zoals echte oorlogen dat doen, maar ze schaden iedereen en het duurt lang om ervan te herstellen. Nadat ons Smoot-Hawley tarief tussen beide wereldoorlogen het globale handelssysteem had verbrijzeld, duurde het tot 1970 alvorens de handel tussen de industriële naties weer het niveau van 1914 bereikte.”

Wanneer staatslieden nationale economieën gaan verwarren met bedrijven komen zij, volgens Paul Krugman, ook sneller in de verleiding zich op te werpen als redders van hun nationale economieën. Zoals Clinton met zijn voorgestelde 'partnership' tussen overheid en bedrijfsleven. De hoogleraar: “De naïveteit van de discussie over de vraag wat het land nodig heeft vertelt je zonder meer dat zo'n partnership alleen maar desastreuze gevolgen kan hebben. Die mensen hebben de feiten niet op een rijtje en kunnen niet eens formuleren wat de werkelijke behoeften van een land zijn. Zij trekken zich ook niets aan van afschrikwekkende 'partnership'-voorbeelden elders in de wereld, zoals in Frankrijk.” Krugman: “De vrije produktiefactoren kennis, arbeid en kapitaal zijn veel beter in het ontdekken en uitbuiten van winstkansen dan vooringenomen politici en economen die hen naar de mond praten.”

Verder valt er, volgens Paul Krugman, het een en ander af te dingen op één van de voornaamste doelstellingen van zo'n door Clinton bepleite partnership overheid-bedrijfsleven, namelijk het creëren van 'goede banen met een hoge toegevoegde waarde'. “Daarbij wordt vooral gedacht aan de high tech-sectoren”, zegt Krugman. “Mijn voormalige MIT-collega en huidige minister Paul Reich schreef er tien jaar geleden zelfs een heel boek over. Maar zet wat cijfers naast deze stelling en wat blijkt? De meeste waarde wordt toegevoegd in de meest kapitaal-intensieve industrieën en die blijken niet echt high tech. Zo ligt die toegevoegde waarde in de sigarettenindustrie en olienijverheid ruim twee keer zo hoog als in de vliegtuig- en electronica-business, al komen ook die nog uit boven het algemene industriële gemiddelde.”

Krugman wijst op nòg een misconceptie, namelijk dat de stagnatie in Amerika's reële lonen mede zou zijn veroorzaakt door de Japanse handelsoverschotten en het daarbij passende verlies van industriële banen. “Dit verlies wordt vooral veroorzaakt door de afnemende vraag naar laag geschoolde arbeid”, verzekert hij. “En dat wordt weer in de hand gewerkt door technologische ontwikkelingen die kenniswerk steeds belangrijker maken.”

Paul Krugman: “Maar laat ik niet alleen mijn eigen president op de korrel nemen. Er staat ook veel onzin in Jacques Delors' recente witboek over de bestrijding van de massale Europese werkloosheid. De president van de Europese Commissie had daarin een voor de hand liggende conclusie moeten trekken: dat de belastingen en reguleringen die de Europese welvaartsstaten zichzelf hebben opgelegd, een zeer hoge structurele werkloosheid hebben veroorzaakt. Dat was een overtuigende diagnose geweest. Blijkbaar was dat politiek te explosief. Daarom schrijft Delors glashard dat de belangrijke reden voor de Europese werkloosheid ligt in de concurrentie van lage lonen-landen. Dat is verbazingwekkende nonsens. Als je de invloed van die Derde Wereld-economieën op de Europese werkgelegenheid becijfert, kom je uit op niet meer dan drie procent van de stijging van die werkloosheid sinds 1973.”

Als we u volgen en het begrip nationaal concurrentievermogen in de ban doen, blijft er toch de vraag: wat gebeurt er met een land wiens produktiviteit achterblijft bij die van zijn rivalen?

Krugman springt van zijn stoel, slalomt langs boekenstapels en zegt breedgebarend: “Er wordt vaak gesuggereerd dat zo'n land dan in de problemen raakt. Gaat een bedrijf, dat continu minder produktief werkt als zijn concurrenten, ook niet op de fles? Geloof het of niet: in werkelijkheid blijkt de vraag of een land min of meer produktief is dan andere landen tamelijk irrelevant. Kijk naar de cijfers van het Amerikaanse Commerce Department. Van 1950 tot 1973 steeg de produktiviteit in de VS jaarlijks met 2,8 procent. Van 1973 tot 1991 beliep die stijging slechts 0,9 procent, langzamer dan in andere ontwikkelde landen. Als de rest van de wereld niet bestond, zou deze tragere produktiviteitsgroei de groei van het Amerikaanse inkomen na '73 dus hebben vertraagd met 2,8 minus 0,9 is 1,9 procent per jaar. Dat bleek op 0,1 procent na te kloppen. De Amerikaanse levensstandaard wordt dus bepaald door de binnenlandse produktiviteitsgroei en vrijwel niets anders. Punt uit. En voor de Europese Unie en Japan geldt in grote lijn hetzelfde.”

Wel is het, volgens de hoogleraar, zo dat landen die economisch sneller groeien hun politieke status zien toenemen en daarom blijft het interessant om landen te vergelijken. “Maar het is een wereld van verschil te zeggen dat Japans economische groei de afgelopen decennia onze status heeft verminderd, of te zeggen dat onze levensstandaard daardoor is gedaald. Dat laatste beweert de retoriek van het nationale concurentievermogen. En dat is getuige de harde cijfers onjuist.”

Maar wij leven toch in een steeds meer interdependente en globale wereldeconomie?

De professor: “Laten we toch vooral naast beweringen cijfers plaatsen. Wel, die vertellen me dat in 1992 10,6 procent van Amerika's bruto nationale produkt werd geëxporteerd en 11,1 procent geïmporteerd. Dat is belangrijk meer dan onze plus-minus 4 procent in- en uitvoer in 1960. Maar onze handel groeide voornamelijk in de jaren zeventig en sinds 1980 kwam er niet veel meer bij. Feit blijft dat nu bijna 90 procent van de Amerikaanse produkten door Amerikanen worden geconsumeerd. Voor een kleine handelsnatie als Nederland zal dat anders liggen, maar de Europese Unie als geheel is niet veel minder zelfvoorzienend dan de VS. Conclusie? De veelbesproken globalisering van de wereldeconomie is minder vergaand dan vaak wordt beweerd.”

Maar is de wereldhandel tussen 1950 en 1990 niet meer dan vertienvoudigd?

“Dat is correct”, zegt Paul Krugman en voegt er in één adem aan toe: “Maar dat moet wel worden bezien tegen de achtergrond van de gigantisch krimp van de wereldhandel in de jaren dertig en veertig. Bovendien is een grote interdependentie in de wereldhandel niet zonder precedent. Groot-Brittannië exporteerde 150 jaar geleden als 's werelds voornaamste economie naar verhouding drie keer zoveel als de Verenigde Staten nu.”

De professor knoopt daaraan vast: “En dan is er vandaag de dag de fabelachtig gegroeide dienstensector die in de VS al 70 procent van het nationale produkt verzorgt, tegen de veel vaker genoemde industrie nog maar 20 procent, en de land- en mijnbouw het restant. Veel diensten zijn lokaal gebonden, lastig tranportabel en daardoor afgeschermd van internationale concurrentie. Ondanks hun dominantie in de Amerikaanse economie maken diensten slechts 20 procent uit van Amerika's buitenlandse handel. Hoe verder een land zich ontwikkelt, hoe overheersender in het algemeen zijn dienstensector wordt en dus ook hoe minder produktie en werkgelegenheid exporteerbaar worden. De regio San Francisco-Silicon Valley is hier met z'n hoge ontwikkeling veel minder export-georiënteerd dan bijvoorbeeld de regio Sao Paulo in Brazilië. Dit alles tekent ook het belang van produktiviteitsverbetering in de dienstensector. Een verbetering van 1 procent van de dienstenproduktiviteit is 3,5 keer zoveel waard als eenzelfde produktiviteitsverbetering in de industrie.”

De produktiviteitsrevoluties in landbouw en industrie hebben daar geleid tot een enorme arbeidsuitstoot richting dienstensector. Als de produktiviteitsrevolutie ook daar toeslaat, komen we dan niet uit bij massa-werkloosheid en sociale ontreddering?

“Nee, nee”, antwoordt Krugman hoofdschuddend. “Stijgende produktiviteit maakt een maatschappij alleen maar rijker. Die rijkdom gaat niet naar de landbouw want wie rijker wordt gaat meestal niet meer eten. Vermoedelijk zullen er wel wat meer industriële produkten worden gekocht. Maar de extra uitgaven en werkgelegenheid zullen vooral gaan naar de dienstensectoren. Wie rijker wordt, wil steeds meer en nieuwe diensten. Ik denk dat de vraag daarnaar alleen wordt beperkt door de fantasie.”

Hoe kijkt u in het algemeen aan tegen het werkloosheidsprobleem dat vooral Europa teistert?

Paul Krugman: “Allereerst dit, het idee dat loonontwikkeling en werkgelegenheid in Europa en de VS vooral afhangen van ontwikkelingen op de globale markten is dus kletskoek. Wat is er wel aan de hand? Europa en de VS zijn beiden getroffen door eenzelfde technologisch geïnspireerde schok op de arbeidsmarkt, namelijk dat hoog opgeleide arbeidskracht steeds meer wordt gevraagd en laag geschoolde arbeid steeds minder. Maar hun antwoorden waren uiteenlopend. In de VS lieten we de markt gewoon zijn werk doen. Wat in de laaggeschoolde sector leidde tot een keiharde loondaling met een gemiddeld een kwart maar ook tot een explosie van werkgelegenheid. De Europeanen lieten die loondaling niet toe door minimum loonbescherming, regulering, belastingen etc. Het gevolg was torenhoge werkloosheid. Beide uitkomsten zijn weinig attractief. De vraag blijft wat een humane samenleving in zo'n situatie moet doen. Ik denk een afweging zoeken tussen enerzijds het garanderen van een minimum levensniveau dat ontbering voorkomt en er anderzijds zorgen voor voldoende verschil met betaalde loonarbeid zodat de arbeidsprikkel in takt blijft. Dat is moeilijk.”

Professor Krugman vindt een vergelijking tussen de VS en hun buurland Canada sprekend. “Canada heeft een veel humaner systeem, betere ondersteuning van armen en een algemene ziektenkostenverzekering. Maar tegelijk ligt de werkloosheid er permanent drie procent hoger dan in de VS. Relatieve menselijkheid laat zich dus direct vertalen in hogere werkloosheid. Ikzelf geef de voorkeur aan het Canadese systeem. Maar ik weet dat dit hier een uitgesproken minderheidsstandpunt is.”