Het verschil tussen boeren en joden

Drie stevig gebouwde mannen van voor in de twintig, jongens eigenlijk nog, stappen het zaaltje van de Amsterdamse politierechter binnen. Hun namen: Tazeling, Kol en Joolen. Ze voelen zich duidelijk niet op hun gemak in deze omgeving. Met hun blikken zoeken ze houvast bij elkaar en bij hun advocaat. Het zijn geen beroepscriminelen, maar supporters van FC Utrecht - néé, dat is niet hetzelfde. Zij moeten zich verantwoorden voor een moreel beladen delict: belediging van de joodse bevolkingsgroep.

In november 1992 lazen zij in een weekblad kwetsende opmerkingen van Ajax-supporters over de aanhang van FC Utrecht. Het duel tussen Ajax en FC Utrecht op 17 januari 1993 bood de Utrechtse supporters een ideale gelegenheid om wraak te nemen. Aan de vooravond van die wedstrijd leende Tazeling het busje van zijn vader - zonder diens toestemming - en ging met nog vier kornuiten op pad. Drie van hen - Tazeling, Kol en Joolen - klommen over de omheining van het Ajax-stadion en kladden antisemitisch bedoelde symbolen en leuzen op een muur en een container. Het ging om een hakenkruis, mogelijk ook een Davidster, en om teksten als 'Ajax joden', 'Joden gaan eraan', 'Joden vuil'.

Het liep slecht af voor de drie mannen. Zij hadden er niet op gerekend dat in het stadion ook Ajax-supporters aanwezig waren die, uit onvrede over de voorverkoop, bezig waren allerlei vernielingen aan te richten. De Ajacieden kregen de Utrechters in de gaten en er ontstond een wilde klopjacht. Het resultaat daarvan was dat Kol met verwondingen naar het ziekenhuis moest en dat het busje van Tazelings vader zwaar gehavend werd.

De rechter, mr. U. van de Pol, toont Tazeling een foto van een opgeschilderde Davidster. “Die heeft u opgespoten?”

“Dit niet”, zegt Tazeling. Hij beweert dat hij alleen onschuldiger teksten als 'FC Utreg' en 'Hilversum Boeren' heeft aangebracht. “Ik wilde de Ajax-supporters laten zien dat we geweest waren.”

“In de teksten die u met z'n drieën heeft geschreven, komen steeds joden voor”, zegt de rechter.

“Ze beginnen zelf over joden, ze zingen: 'Joden worden kampioen'.”

“Dat is nog wat anders dan 'joden gaan eraan'.”

“Het was een uit de hand gelopen grapje.”

De rechter wendt zich tot Kol. “U kocht de spuitbussen. Van wie is de Davidster?”

“Niet van mij. Ik heb alleen met rood gespoten.”

De rechter probeert het bij Joolen. “U bent de man van de witte verf. 'Joden vuil' stond op een rode container, het knalde eraf.”

“De Ajax-supporters probeerden ons te beledigen. In Groningen zouden we er 'boeren' op gezet hebben.”

“Begrijpt u het verschil tussen boeren en joden?”

“Jawel”, zegt Joolen, “die lui hebben in de oorlog een hoop meegemaakt.”

Kol en Joolen zijn handarbeider, Tazeling helpt zijn vader in de winkel. Twee van hen zijn eenmaal eerder met de politie in aanraking geweest wegens openlijke geweldpleging. De rechter vraagt hun of ze zich nog steeds supporter van FC Utrecht voelen.

Tazeling en Kol schudden het hoofd. “Ik ga nog maar een enkele keer kijken”, zegt Tazeling. “Ik was het zat, het kostte me te veel geld”, zegt Kol.

“Nu is het nog steeds niet duidelijk van wie die Davidster was”, zegt de rechter.

“Het zou kunnen dat het een oud teken was”, schiet de advocaat, mr. H. Brouwer, te hulp.

Voor de officier van justitie, mr. C. Goes, maakt het niet uit wie wat gedaan heeft. Met de ontkenning van Tazeling wil hij geen rekening houden. “Als je samen gaat, ben je aansprakelijk voor wat de anderen doen. De onderliggende dynamiek in dergelijke zaken is: wat de een niet durft, doet de ander. Men raakt in een roes, men wil niet het piepeltje zijn dat niet durft. Ik kan me voorstellen dat ze niet een bepaalde bevolkingsgroep wilden discrimineren, maar daar gaat het wèl over.”

De officier noemt hun gedrag 'ontzettend kinderachtig' en 'stupide'. Hij wijst erop dat het vaak al op jonge leeftijd begint. “Een kind van acht krijgt al te horen: 'Hé rooie', en 'Vuurtoren'.”

Gezien de tint van de haardos van de officier is het niet onmogelijk dat hij hier een autobiografische ervaring in zijn requisitoir verwerkt.

“We moeten af van de discriminatie”, zegt hij. “Jullie zijn bezig geweest het in stand te houden. In Nederland is het op dit gebied nog relatief rustig, ik zou willen dat we het zo hielden.”

Hij eist voor ieder een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, eventueel te vervangen door onbetaalde arbeid.

De advocaat vraagt vrijspraak voor Tazeling, omdat in zijn geval niets bewezen zou zijn. Bij Kol en Joolen erkent hij schuld. Kol wijst hij zelfs aan als degene die in rood het hakenkruis heeft opgespoten. “Wat betreft Kol en Joolen ga ik akkoord met tachtig uur onbetaalde arbeid”, zegt hij. Hij voegt eraan toe: “Het was een periode in hun leven, ze zijn er overheen gegroeid.”

Alleen Joolen maakt gebruik van het recht op het laatste woord. Zich indirect wendend tot een aanwezige Ajax-functionaris, zegt hij: “Er wordt daar slecht schoongemaakt. Ik heb nergens zoveel graffiti gezien als daar. Er staat nog steeds zó'n Davidster.”

“Misschien valt er niet tegenop te werken”, merkt de rechter droog op.

Hij voelt er evenmin voor om Tazeling uit te zonderen van bestraffing. “De sfeer was: wij zullen dit soort teksten opspuiten. U zat erbij, u reed zelfs.” Op scherpe toon zegt hij tegen het drietal: “Joodse mensen zullen niet altijd blij zijn met de supporters van Ajax, maar u heeft hen op de meest walgelijke manier beledigd, al is dat misschien niet uw bedoeling geweest.”

Hij veroordeelt ieder tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, te vervangen door veertig uur onbetaalde arbeid, plus een maand voorwaardelijke gevangenisstraf. Ook moeten de drie ieder 500 gulden schadevergoeding aan Ajax betalen.

“U kunt in beroep gaan”, houdt hij hun voor. Ze schudden het hoofd. “En de officier beraadt zich?” vraagt de rechter. “Ik ga ook akkoord”, zegt de officier.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.