Een muur bevestigt een oude legende

AMSTERDAM. Een muurtje van een paar honderd gele en lichtrode kloostermoppen in een modderig gat in het centrum van de hoofdstad, en de hele geschiedschrijving van het oudste Amsterdam ligt op zijn achterste. En iedereen lacht, inclusief de betrokkenen, dat is het gekste.

Gisteren werden de gevonden resten van het kasteel van de Heren van Amstel aan het publiek getoond, en al snel was het rondom de kuil aan de Nieuwezijds Kolk één grote receptie. Tientallen wetenschappers, amateur-historici, archivarissen, archeologen en toevallige liefhebbers stonden opgewekt in de ijzige wind te blauwbekken, en iedereen feliciteerde iedereen: met het ineenstorten van tientallen ingenieuze hypotheses, met de val van ijzeren reputaties, met het teloorgaan van jarenlang nauwgezet archiefwerk, met het verdwijnen van boekenplanken vol literatuur in de papierversnipperaar.

Het is merkwaardig om te zien hoeveel vreugde het schept als een gevestigde theorie opeens door de feiten wordt weggeblazen. Natuurlijk is dat simpele stukje muur een uiterst belangrijke ontdekking, omdat daarmee opeens allerlei eerdere, onverklaarbare vondsten duidelijk worden. Bijvoorbeeld een oude gemetselde put, een twaalfde-eeuws schild en de restanten van een smederij die men al jaren geleden in de nabijheid aantrof, en waar toen niemand iets van snapte - schilden en gespecialiseerde bedrijfjes pasten immers helemaal niet bij het vissersdorpje dat Amsterdam volgens de officiële geschiedschrijving toen was. We moeten echter ook niet overdrijven. Het kasteel van Amstel is vermoedelijk pas opgemetseld toen Amsterdam al een gehucht van enige betekenis was, en nog geen honderd jaar later alweer gesloopt. Of het dus werkelijk veel invloed heeft gehad op de opkomst van de stad is nog maar de vraag.

Het ging dan ook om iets anders tijdens dit intieme feestje in de modder. Wat hier gevierd werd was een bijna carnavaleske omkering van waarden: wetenschappelijke werkelijkheid bleek opeens legende, en de legende was opeens toch werkelijkheid.

De vondst van het kasteel van Amstel is een schoolvoorbeeld van wat de Amerikaanse historicus Daniel J. Boorstin displacive-karakter van de wetenschap noemt: de ene ontdekking haalt de vorige als het ware onderuit. “Zorg ervoor dat de maatschappij openstaat voor het onvoorspelbare”, zei hij afgelopen zaterdag in een vraaggesprek in deze krant. Volgens hem staat teveel reguliere geleerdheid het vermogen tot verbazing, en daarmee tot baanbrekend denken in de weg. “Een van de grootste obstakels voor de mens is niet onwetendheid, maar de illusie van kennis”, aldus Boorstin.

Het is, met de concrete muren van het kasteel nog op het netvlies, inderdaad verbluffend om nog eens na te lezen hoe officiële geschiedschrijving decennia lang de vloer heeft aangeveegd met degenen die het waagden te veronderstellen dat er ooit ook in Amsterdam een kasteel heeft gestaan. “Het kasteel der Aemstels aan de mond van de kooprijke rivier is een luchtkasteel”, schreef de historicus prof.dr. H. Brugmans in zijn alom gerespecteerde, zesdelige standaardwerk over de geschiedenis van de Amsterdam, en alle latere stadshistorici volgden hem als eenden in een rij - op een enkele dwarsligger na. Toch maakten vrijwel alle oudere beschrijvingen van Amsterdam nadrukkelijk melding van het kasteel. Achterin de zeventiende eeuwse uitgave van Pontanus beschreef een anonieme auteur uit 1500 de ligging van kasteel en wal, vrijwel exact zoals die nu door de stadsarcheologen zijn opgegraven. Ene Cornelis Haemrode schreef dat in het jaar 1564 aan de Nieuwendijk de fundamenten van de torens nog werden aangetroffen, toen een Amsterdams huisheer “daar een beerput wilde graven”. En Pontanus zelf meldde rond 1610 dat ooit aan de westkant van het Damrak “onder de grond puinhopen waren gevonden die aanwezen dat daar vroeger een niet gering gevaarte heeft gestaan, dat vertellen ouden van dagen”.

Toen in 1920 bij de bouw van de nabijgelegen bioscoop Royal enorme kloostermoppen in de grond werden gevonden concludeerde de stadshistoricus 't Hooft dan ook dat hier wel degelijk een kasteel had gelegen. Ook hij werd beleefd weggehoond - de archieven meldden niets van een kasteel, en de archieven waren heilig. Het idee om ter plekke eens een schep in de grond te steken kwam slechts bij een enkeling op. Daarvoor waren de heren toen nog te koppig en te deftig.

Tegenwoordig is dat anders. Stadsarcheoloog Jan Baart, die zich het liefst als een mol door de Amsterdamse grond zou ploegen, verheugt zich nu al op de grote projecten die binnenkort loskomen: de Vendex-driehoek, de VARA-strook bij het Waterlooplein en de Noord-Zuidlijn. Zo zou eindelijk eens de ontstaansgeschiedenis van de Dam kunnen worden gereconstrueerd, en misschien zou bijvoorbeeld ook iets meer van de bloeiende Amsterdamse kunstnijverheid gevonden kunnen worden, waarvan we nu nog bijna niets weten.

Aan Jan Baart zal het niet liggen. Aan de gemeente Amsterdam wel. De archeologische dienst van Londen telt meer dan tweehonderd personeelsleden. In Rotterdam en Den Haag werkt een tiental stadsarcheologen. In het monumentale Amsterdam zijn ze welgeteld met z'n drieën. Dat betekent dat de stadsarcheologen nauwelijks tijd hebben om het belangrijkste voor de drilboren en de bulldozers weg te slepen, en aan het verwerken van hun vondsten komen ze al bijna helemaal niet toe. Dat verschil heeft te maken met allure - en dat is niet de allure van een torenhoge glimflat. Londen, Rotterdam en Den Haag hebben, ondanks hun geldzorgen, nog altijd de allure om geld te steken in het ontdekken van het onbekende. Amsterdam - ooit de ontdekker bij uitstek - niet meer. De stad besteedt miljoenen aan het behoud van bestaande monumenten. Maar vrijwel onopgemerkt werd nog maar kort geleden het werkelijk oudste huis van de stad - achter het Victoriahotel - gesloopt en in een container gemikt. Binnenkort worden enorme bedragen in de Amsterdamse infrastructuur geïnvesteerd. Het valt te hopen dat de stad genoeg allure heeft om van die honderden miljoenen een fractie te reserveren voor Jan Baarts speurtocht naar het onvoorspelbare.

Boven de kuil hebben de laatste krakers van het blok een spandoek gehangen: 'Genoeg gezien? Beton erover! Uw gemeente + ABN-AMRO'. Ze raken daarmee een gevoeliger punt dan ze beseffen.