Economische Zaken druk bezig met voorbereiding 'platform globalisering' ; Andriessen: schouders er onder

Vandaag zijn de acht discussienota's gepubliceerd, die de agenda bepalen voor het 'platform globalisering' de conferentie van minister Andriessen (economische zaken) over het concurrentievermogen van Nederland. “Ik was bang voor een litanie van klagende ondernemers.” Een gesprek met minister Andriessen over 'het schouders eronder gevoel'.

DEN HAAG, 15 MAART. De Nederlandse economie is aan grondige revisie toe, maar er is geen reden tot doemdenken. Volgens minister Koos Andriessen (economische zaken) blijkt de sense of urgency uit het feit dat één op de vijf ondernemingen overweegt meer activiteiten naar het buitenland te verplaatsen. “Denken en doen vallen, gelukkig, niet altijd samen. Maar als het gebeurt, kost het banen.”

Met zijn economisch pamflet 'Globalisering: een zekere trend' zette Andriessen (economische zaken) vorig jaar de toon voor het debat over de concurrentie uit de lage-lonen-landen. Bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken bleek dat de boodschap van Andriessen was overgekomen: de afgevaardigden grepen naar een klassiek parlementair instrument om het 'nieuwe' thema intellectueel te temmen: onderzoek.

Andriessen hield de boot af en wilde op 'Clintonachtige' wijze de discussie organiseren over de toekomst van de industrie. Na zijn aantreden organiseerde de Amerikaanse president een televisie-debat over de toekomst van de industrie. Volgende week wordt vanuit de NOS-studio's de 'Koos Clinton show' uitgezonden. Een groot verschil is dat Clinton begon met zo'n strategische conferentie, terwijl Andriessen er mee afsluit. “Het speeltje van Andriessen” komt volgens VVD-leider Frits Bolkestein dan ook vier jaar te laat.

“Meneer Bolkestein weet alles eerder, maar die informatie houdt hij volledig voor zichzelf. Vier jaar geleden hoorde ik hem niet”, zegt Andriessen. “Ik was verrast door de sloop van de Berlijnse Muur en het IJzeren Gordijn. Nu krijgen we zicht op de economische gevolgen voor Nederland. En die zijn immens; de lage-lonen-landen liggen naast de deur.”

Het gesprek vindt plaats op het grondig gerestaureerde ministerie van economische zaken. Op de werkkamer van de minister hebben de twee tweezitbankjes uit de jaren zestig plaatsgemaakt voor een strak lederen bankstel. Het schilderij van Karel Appel ontbreekt en aan de wand hangt nu onder meer een ingelijste poster met de titel 'Milieu als maatstaf'. In de boekenkast staat 'Economie met open grenzen' de sterkte/zwakte-analyse van de Nederlandse economie die Andriessen aan het begin van zijn regeerperiode schreef. “De bedreigingen voor de Nederlandse economie werden toen vooral vanuit andere Europese landen verwacht. Maar het gaat in het leven altijd anders dan je denkt. Europa is door de economische recessie minder bedreigend. De concurrentie komt uit Oost-Europa, Latijns Amerika en Azië. En elk produktie-proces kan tegenwoordig in plakken worden gesneden. Het aantal lokaties om delen van dat proces uit te voeren, zijn spectaculair gestegen in vergelijking met 1991.”

Tijdens werkbezoeken staat de concurrentie uit de lage-lonen-landen hoog op de agenda. “Vorige week ben ik bij een plastic-producent geweest met ongeveer honderd werknemers. Na tien minuten spraken we over globalisering. De leiding overweegt om een deel van de produktie te verplaatsen naar Polen. Maandag het hele spul op de vrachtwagen en aan het einde van de week hebben ze het weer terug; tegen eentiende van de loonkosten.”

Als voorbereiding op het platform globalisering zijn er vorig maand acht workshops georganiseerd met ondernemers, werknemers, wetenschappers en ambtenaren. Naast drie algemene thema's (innovatief ondernemerschap, technologie en werkgelegenheid) waren vijf workshops toegespitst op chemie, voedings- en genotmiddelenindustrie, financiële dienstverlening, metaal/electro en logistieke dienstverlening. Op Andriessens bureau ligt de verslaglegging van de discussies.

“Ik was bang voor een litanie van klagende ondernemers. Dat is niet het geval, men steekt ook de hand in eigen boezem. Te weinig innovatief, te afwachtend, te traag, te weinig oog voor kwaliteit. Ik geef de gelegenheid aan mensen om elkaar te ontmoeten en het fenomeen van de globalisering met elkaar te bespreken. Maar ik blijf vrezen dat we op die dag blijven steken in de Haagse problematiek.”

De (in)formateur van het nieuwe kabinet wordt door Andriessen op de hoogte gebracht van de resultaten van het 'platform globalisering'. Na vier jaar regeren constateert de minister van economische zaken “een grote strijd tussen loon en inkomen. We hebben voortdurend de neiging om alleen maar te kijken naar het inkomen. Het werken - en met name het creëren van nieuw werk - wordt verwaarloosd, terwijl het de basis is voor het verdelingsvraagstuk. Dat was mijn verborgen agenda voor de strategische conferentie.

De diagnose is bekend: gebrek aan flexibiliteit. Hoe ziet de therapie eruit.

Ondernemers, werknemers en overheid zijn niet flexibel genoeg. Dat valt niet te ontkennen. Maar we moeten oppassen dat we blijven steken in het zwarte piet spel. Ondernemers spreken vaak over de in-flexibiliteit van de arbeidsmarkt maar vergeten dat ze op het terrein van innovatie vaak zelf niet flexibel zijn.

De flexibilisering van de overheid moet samengaan met minder wet- en regelgeving. Neem bijvoorbeeld de Arbo-wet; een nuttige wet dat staat buiten kijf, maar ik vraag me af of er 1200 regels nodig zijn om de arbeidsomstandigheden in Nederland te regelen. Echt te veel. We hebben uitgerekend dat er ieder jaar vierhonderd nieuwe regels bij komen die voor het bedrijfsleven van belang zijn. De kosten voor bedrijven van dit soort regelgeving komen in totaal op bijna acht miljard gulden per jaar. Ik wil een index maken die aangeeft wat de kosten voor het bedrijfsleven zijn van alle wet- en regelgeving. In de komende kabinetsperiode zou zo'n index terug moeten worden gebracht van 100 naar bijvoorbeeld 90.

Werknemers moeten zich voorbereiden op soepeler arbeidsrelaties. Ondernemers zijn bang voor arbeid. Daf maakt bijvoorbeeld op dit moment zijn vrachtauto's niet meer op voorraad, maar op bestelling. Dat kan een geweldige besparing op de kosten opleveren, maar dan moet je wel in staat zijn om bij een sterk aantrekkende vraag die auto's te produceren. Dat vraagt een soepele arbeidsrelatie. Men probeert dit op te vangen met uitzendkrachten, maar dat is in een noodverband. Ook binnen normale arbeidsverhoudingen moet meer flexibiliteit mogelijk zijn.

Institutionele belemmeringen die u signaleert, zoals werktijden, kunnen het eenvoudigst worden geslecht in een periode van economische recessie. In de woorden van Philips top-man Timmer 'Organisatie veranderen? Creëer een crisis'.

Ik hoop de-wal-keert-het-schip filosofie een stap voor te zijn. De economie lijkt zich te herstellen met een groei van ongeveer 2,5 procent. Maar het structuurprobleem lost niet automatisch op wanneer de economie weer aantrekt. Na elke economische recessie werken er minder mensen bij de grote ondernemingen. Voor de creatie van nieuwe banen moeten we het hebben van de kleinere ondernemingen.

Nederland kent veel kleine ondernemingen maar relatief weinig zogeheten doorgroeiers; onder ondernemers heerst een Jan Salie-geest.

In vergelijking met het buitenland scoren we goed op het terrein van startende ondernemers; we hebben 20 tot 25.000 startende ondernemers per jaar. Maar heel veel ondernemers starten onevenwichtig; slecht marketing-plan, rommelige administratie. Daar kan de overheid een beetje mee helpen. Maar het grote probleem is het doorgroeien; de stap van tien naar honderd werknemers.

Mentaliteit speelt daarbij een rol. Nederland is wat gezapig, risico-mijdend. Het is ons wat te gemakkelijk af gegaan. Ondernemers zullen de uitdaging zelf moeten oppakken; de globalisering creëert ook vele kansen.

De rode draad van uw economisch pamflet is sanering van de verzorgingsstaat. Maar is sanering voldoende om concurrentiekracht te herwinnen?

Het is één element. Ik zeg niet dat de lonen te hoog zijn in Nederland. We moeten de loonconcurrentie niet aangaan met een land als Polen; dat is een onzinnige gedachte. De verzorgingsstaat heeft zijn weerslag in de loonkosten. Maar ik wil er voor waken dat de discussie zich verengt naar een klaagzang over de sociale zekerheid. In alle verkiezingsprogramma's wordt er veel aandacht aan besteed. Dat onderwerp staat al op de maatschappelijk agenda.

Om de concurrentiekracht te herwinnen kan de overheid een steentje bijdragen door het scheppen van een goed ondernemingsklimaat. Nederland dreigde achterop te raken met zijn infrastructuur. Dit kabinet heeft een stevige impuls gegeven aan de verbetering van infrastructuur: Betuwelijn, HSL-lijn, Schiphol. Dergelijk projecten hebben ook een stimulerende functie: 'het schouders eronder gevoel'.

Op 24 maart gaat u een poging ondernemen om de Nederlandse volksaard rijp te maken voor globalisering. Maar als je ziet hoe moeizaam de discussie in het kabinet gaat over één procent koopkracht moet u dan niet eerst uw collega's in de Trêveszaal onder handen nemen?

Het is een rol die ik speel in de ministerraad. De raad heeft vooral een verdelende taak. We maken niks. We zijn geen ondernemers. Maar we beslissen wel over vijftig procent van het nationaal inkomen. Ik hamer steeds op het feit dat we eerst iets moeten verdienen voordat we het kunnen verdelen. Dat is de sense of urgency.