Standplaats Duitsland

DE MATIGING zet door in Duitsland. Na akkoorden in de chemie en de metaal hebben eind vorige week ook de Duitse vakbonden voor overheidspersoneel genoegen genomen met een CAO waarin de loonstijging achter blijft bij de verwachte inflatie. Drie grote, machtige vakbonden hebben hun dreigement om te gaan staken laten vallen en zich geschikt naar het onvermijdelijke inzicht dat in Duitsland de ruimte voor méér de komende jaren voorbij is.

Het is een belangrijke verschuiving, in het hart van de Europese economie. Met vier miljoen werklozen en een kruipende crisis in de overheidsfinanciën stonden de sociaal-economische afspraken in Duitsland op scherp. In Duitsland waren vanaf het midden van de jaren tachtig de loonkosten per eenheid produkt - de graadmeter voor concurrentievermogen - steeds verder opgelopen. Met hoge netto lonen, met uitstekende sociale voorzieningen en een groot aantal vrije dagen waren de Duitse werknemers goed af. De keerzijde hiervan was dat de bruto loonkosten in vergelijking met de overige industrielanden de hoogste ter wereld waren. De Duitse werkgevers, vertrouwend op de ongeëvenaarde Duitse industriële kwaliteit en produktiviteit, hebben te lang gewacht tegenwicht te bieden aan de eisen van de vakbeweging en arbeidsonrust afgekocht. Nog in 1992 werden forse bruto en netto loonstijgingen en een versnelde gelijktrekking van de lonen in Oost- en West-Duitsland overeengekomen.

NA DE ECONOMISCHE euforie van de Duitse eenwording heeft de ontdooiing van de grenzen met Oost-Europa, waar geschoolde werknemers tegen een fractie van de Westduitse loonkosten bereid zijn aan de slag te gaan, de verhoudingen grondig gewijzigd. De Duitse industrie is op grote schaal aan het saneren geslagen: in minder dan drie jaar zijn zeshonderdduizend banen in de metaalindustrie verloren gegaan. Intussen bleven de overdrachtsuitgaven voor de nieuwe oostelijke deelstaten doorgaan en bleven ombuigingen van de overheidsuitgaven in de 'oude' Bondsrepubliek uit. De enige instantie die zich aan de economische orthodoxie hield, was de Duitse centrale bank. Met een beleid van hoge rente hield de Bundesbank het gevaar van uit de hand lopende inflatie in bedwang.

De ernst van de situatie is ten slotte doorgedrongen tot de partijen die onderhandelden over de CAO's in de metaal, de chemie en voor het overheidspersoneel. In deze maatgevende sectoren staat de werknemers dit jaar een bescheiden reële achteruitgang te wachten. Bovendien zijn ook andere verworvenheden, zoals de dertiende maand voor ambtenaren, voorwerp van herziening. In een politiek akkoord over de financiering van de bejaardenzorg is afgesproken de tweede pinksterdag als vrije dag in te leveren. Vooral dat laatste tekent de veranderde stemming.

Maar Duitsland is er nog lang niet. De CAO-onderhandelingen blijven vooralsnog veel te sterk gecentraliseerd en talrijke belemmeringen voor een versoepeling van de arbeidsmarkt, tot stand gekomen in de tijd van het Wirtschaftswunder en de welvaartsgroei, zijn niet in één keer verdwenen.

VOOR DE ECONOMISCHE partners van Duitsland zijn de bereikte CAO-akkoorden van direct belang. Loonmatiging draagt ertoe bij om de Duitse economie uit de diepste recessie van de naoorlogse periode te halen. De afgesloten CAO's helpen om de inflatie in Duitsland te dempen en dat biedt de Bundesbank de ruimte om het beleid van stapsgewijze rentedalingen voort te zetten. Met lagere rente en herstel van het concurrentievermogen zal de motor van de Europese economie weer aantrekken. Voor de omringende landen, in het bijzonder Nederland, is dat goed nieuws.