'Je leeft meer mee als je op een paardje gokt'

WASSENAAR, 13 MAART. De paardjes draven weer op Duindigt. De computers zoemen weer in de wedhal van Hippo Toto. Twaalf koersen vormden gistermiddag de opening van het seizoen.

Maar om nou te zeggen dat de draf- en ren-liefhebbers gisteren massaal naar het achttiende eeuwse landgoed bij Wassenaar togen. De meeste oranje kuipstoeltjes bleven onbezet. De sta-galerijen waren nagenoeg verlaten. Ondanks verlaagde toegangsprijs. Ondanks gratis paardrijden voor de kinderen. In de veldslag tussen sporten voert de draf- en rensport een achterhoedegevecht.

Daarom klaagt ook iedereen op Duindigt. Eigenaren jeremiëren dat de prijzengelden veel te karig zijn. Een beetje renpaard kost al gauw 15.000 gulden per jaar, een draver nog altijd 10.000 gulden. Hoe kunnen die nou ooit uit de kosten komen? En vorig jaar is het aantal koersen op de zes Nederlandse renbanen opnieuw teruggelopen, van 2.723 naar 2.451, een daling van tien procent. Zo wordt de postduif van de rijken wel erg prijzig.

Ook de medewerkers achter de totobalies jammeren dat de toevloed aan goklustigen weer eens tegenvalt. Vorig jaar was de omzet van Hippo Toto ook al met 3,4 procent gedaald tot 111,3 miljoen gulden. Dat lijkt een heel bedrag maar dat is nog geen twee procent van de Nederlandse gokmarkt, die de zes miljard gulden ruim te boven gaat. Kruimelwerk voor een sport die als geen andere met wedden wordt vereenzelvigd.

De beheerders van de renbaan Duindigt hebben al net zoveel reden tot kreunen. Het stallencomplex is dringend aan revisie toe. En eigenlijk kan de hele accommodatie een opknapbeurt gebruiken. Maar wat hebben investeringen voor zin zolang de toekomst van Duindigt hoogst onzeker is. Dat heeft te maken met oude bepalingen in het bestemmingsplan, die multifunctioneel gebruik van de renbaan verbieden. Wat exploitatie niet eenvoudiger maakt. Dat heeft verder van doen met de milieuwetgeving, die ingrijpende aanpassingen noodzakelijk maakt. Geschatte kosten: één tot anderhalf miljoen gulden. Vandaar dat verhuizing naar het terrein van het vliegveld Ypenburg wordt overwogen.

Zelfs meneer en mevrouw Van Kampen uit Haarlem klagen. Al is het zachtaardig omdat ze nu eenmaal goedmoedig zijn. Vierenvijftig jaar bezoekt hij al de renbanen in het Westen, sinds 1940. Zij trekt sinds 1950 met hem mee. De laatste jaren is de sport er niet op vooruit gegaan, verklaren zij eendrachtig. Kijk maar naar de omzet, kijk maar naar de bezoekersaantallen. Ze wijzen demonstratief om zich heen. Hij: “Dit is toch geen opkomst voor een openingsmeeting.” Zij: “Op een doordeweekse dag zijn we soms met vijfentwintigen.”

En het worden er steeds minder. Hoeveel mensen die zij kennen van de renbaan hen al niet zijn ontvallen. Het lijkt wel of de liefhebbers uitsterven, net als de bolknakrokers. Zij hebben wegens ziekte ook al eens moeten overslaan.

De aders op de slapen van meneer Van Kampen zwellen vervaarlijk op als hem gevraagd wordt waarom het nou eigenlijk draait bij de draf- en rensport: om de sport of het gokken. “Om de sport natuurlijk”, briest hij. Daarna vervalt hij in een loflied op het paard. Zo levendig en rank en soepel. Van zulk een schoonheid. “Ik zie liever een paard dan een auto”, verzucht hij alsof hij te biecht gaat. Zijn hele leven lang was hij autohandelaar.

Het gokken is niet meer dan bijzaak, zegt Van Kampen. Maar wel een belangrijke bijzaak. Het hoort bij draf- en rensport als aardbeien met room bij Wimbledon. Wedden verhoogt nu eenmaal de betrokkenheid bij de koers, weet Van Kampen. “Je leeft meer mee als je op een paardje hebt gespeeld.”

Meedoen met de paardentoto dwingt ook om je in de sport te verdiepen. Als je tenminste je kansen wilt vergroten. Daarom staan de mensen bij het defilé van de paarden ook in drommen te turen, trachtend aan de glans van de paarden de vorm van de dag af te lezen. Daar wagen meneer en mevrouw Van Kampen zich niet aan. Liever bestuderen zij de uitgebreide informatie in het programmaboekje, compleet met tips voor de winnaars. Een beetje “rommelen”. Een beetje koffiedik kijken. Zo kiezen zij hun paardjes uit.

Ze spelen, maar “met mate”, laten ze niet na om te herhalen. Met mate, dat betekent een maximale inzet van zestig gulden per koersdag, gemiddeld niet meer dan vijf gulden per koers. “Een lachertje”, zeggen ze eensgezind. “Als de draf- en rensport het van ons moest hebben was ze al lang naar de knoppen.”

Soms winnen ze, meestal verliezen ze. En als ze op de lange termijn quitte spelen, zijn ze allang tevreden. In de woorden van meneer Van Kampen: “Wie zijn broekie heel houdt, heeft het goed gedaan.”

Leggen ze erop toe, dan is dat nog geen ramp, want “een antiek autootje onderhouden kost ook geld” en “een hobby mag best centen kosten”. Aanleiding voor meneer Van Kampen om weer een van zijn gezegdes te debiteren: “Zij die omgaan met paarden hebben de hemel op aarde. Maar komen ze te sterven hebben ze geen cent te erven.”

Voor pikeur Ad Suykerbuyck is draven sport maar ook zijn werk. Hij is één van die duizend mensen die aan die sport in Nederland hun brood verdienen. Hem hoor je niet klagen vandaag. Met outsider Henry Videau heeft hij zojuist de Supertrio-koers gewonnen. Het opgespatte zand plakt nog aan zijn gezicht maar dat belet hem niet een shaggie op te steken. “Je werkt met levende wezens”, filosofeert hij. “Dat maakt de uitkomst van elke koers onzeker. Dat is het mooie van elke race en elke weddenschap.”

Zelf waagt hij nooit een gokje. Dat zegt hij. Omdat hij er geen tijd voor heeft. Omdat je er maar praatjes van krijgt. En praatjes, dat betekent problemen met de eigenaar. “Terwijl je het als een pikeur toch van de eigenaar moet hebben.” Bedachtzaam neemt hij nog een trekje van zijn sigaret.

Meneer en mevrouw Van Kampen hoor je ook niet meer klagen na de vijfde koers. “We hebben de winnaar”, roepen ze al van verre. “Als je broekie maar heel blijft”, voegt hij daaraan toe.