Hamburg bezingt het joodse leed in Zay ...

Concert: Nieuw Sinfonietta Amsterdam onder leiding van Lev Markiz, met Judith Mok (sopraan). Werken van Schönberg/Wulff, Hamburg en Bruckner. Gehoord: 12/3 Concertgebouw Amsterdam. Radio-opname AVRO voor latere uitzending.

“Er waren er, O God, zo veel, zo veel”, zo begint een sonet van de Oekraïnsch-joodse dichter Mani Leib (1887-1953). En hoewel het een klaagzang is voor een bijna uitgeroeide cultuur, ontbreekt elk pathetiek en eindigt het sonet in een sobere reflectie over een paar eenzame bomen in een omgehakt bos, als enige herinnering aan het geweld. Componist Jeff Hamburg was zo door deze ingehouden toonzetting getroffen dat hij het gedicht een centrale plaats verleende in zijn liedcyclus Zay ... voor sopraan en kamerorkest, waarvan de première stijlvol werd vertolkt door sopraan Judith Mok, ondersteund door een al even toegewijd en geïnspireerd Nieuw Sinfonietta Amsterdam.

“Er waren er, O God, zo veel, zo veel” is tevens de eerste zin die de sopraan heeft te zingen, een melodie die steeds weer terugkeert, zoals ook een hoorn-partij een constante vormt in ontleningen aan Oosteuropese versies van Jiskor (gebed bij begrafenissen) en Kol Nidrei (gebed voor de doden op de Grote Verzoendag).

Twee andere gedichten die Hamburg selecteerde waren ook al vrij van pathetiek. Daardoor werkte een slotwending in een gedicht van Zisha Landau (1889-1937) des te sterker: Drijven we weg als de sterren, zachtjes, zodat niemand het hoort, - want sterven kinderen niet van schrik?

Ook het derde laatste gedicht van Judah Ha-Levy (circa 1100) heeft een gedwongen vertrek als onderwerp. De componist zag er een teder volkslied in, waarvan de zetting herinnert aan Berio's Folksongs en zelfs een lied van Ravel in de gedachten kan roepen: avant-gardistisch is de liedcyclus allerminst. Daardoor komt dat laatste lied los te staan van de twee voorgaande, meer extatisch behandelde composities. Het tweede lijdt enigszins aan het euvel dat het niet echt kiest voor een puntig danwel wollig klankkarakter. Het wollige staat het puntige (strijkerspizzicati en een opmerkelijk gebruik van de lage tonen van de harp) in de weg.

Het derde lied heeft mij het meest getroffen, niet in het minst ook omdat het uitstekend past bij de weemoedige dichtregels. Deze herinneren aan de verbanning van de joodse gemeenschap uit het gewelddadige Spanje. Dat was lang geleden, maar is nog steeds actueel, zeker als we onze blik wenden naar Oost-Europa.