GOLDSTEEN & KOMST OVER De grootste pauk

“Het is de grootste pauk ter wereld, 41 inch, 103 cm in doorsnee, dat is ongelooflijk. Een gewone grote pauk is 32 inch, de grootste van het Concertgebouworkest is maar 29 inch. Deze pauk is nu van mij en ik ken hem al sinds mijn zeventiende. Toen ik les kreeg van Jan Labordus, mijn voorganger als paukenist bij het Concertgebouworkest, gingen we wel eens naar de zolder van het Concertgebouw. Daar stond hij en dan speelden we er op. Nadat bij een verbouwing andere en kleinere deuren waren geplaatst, kon hij er ook niet meer vanaf. Maar bij de laatste restauratie van het Concertgebouw in 1988 is de pauk weer bevrijd en daarna verkocht. Nu hij door Marcus Goldsteen is gerestaureerd kan hij af en toe weer meespelen bij het Concertgebouworkest.”

Marinus Komst, kleinzoon van de gelijknamige beroemde solo-trompettist van het Concertgebouworkest, kocht de pauk van een instrumentenverzamelaar en liet die restaureren bij de koper- en edelsmederij Goldsteen in Vught. Vorige week donderdag was de pauk klaar en kon Komst er de eerste slag op geven. Wellicht zal het instrument voor het eerst weer worden gebruikt bij de uitvoeringen van de Zevende symfonie van Mahler onder leiding van Riccardo Chailly in april.

Komst: “Toen ik hem hier bracht zaten er wel twintig of dertig scheurtjes en deuken in de ketel, onbegrijpelijk voor een instrument waarop bijna nooit gespeeld is. Het onderstel was verroest, er zat een muizennest in en de bovenkant was niet helemaal vlak. Dankzij Marcus Goldsteen is alles weer gemaakt en staat hij hier nu weer te glimmen.

“Willem Mengelberg heeft de deze pauk in de jaren '20 of '30 laten bouwen door A.A. van der Hoek, die ook andere pauken voor het Concertgebouworkest heeft gemaakt. Waarschijnlijk wilde hij af en toe hele zware dreunen. Maar het ding heeft kennelijk toch niet helemaal voldaan, waarom weet ik ook niet, misschien omdat de bovenkant niet vlak was.”

Goldsteen: “We zijn er acht weken mee bezig geweest. De ketel is uitgedeukt, scheurtjes zijn dichtgesoldeerd of er zijn nieuwe stukjes koper ingezet. We hebben met stalen strippen een constructie op maat gemaakt, de ketel daarin gehangen en een stalen band in de rand gewerkt en ook bovenkant vlak gemaakt. Daarna is hij gepolijst en zijn de steunen er weer aangezet.”

Komst: “Deze pauk is nog een ouderwetse, een 'machinepauk'. Tegenwoordig heb je pedaalpauken waarop je met voetbediening een hele toonladder kunt spelen. Maar bij het Concertgebouworkest houden we van traditie en spelen we nog op de Schnellerpauken, die nog door een van de eerste paukenisten van het orkest zijn gemaakt. De klank daarvan is uniek en erg verweven met die van het Concertgebouworkest, ze worden dan ook als schoothondjes behandeld. We gebruiken bijna altijd kalfsvellen, ook al raken die snel ontstemd. We gebruiken alleen plastic als bij vriesweer de lucht te droog is en bij tv-opnamen, als het door de lampen veel te warm wordt.

“Deze grote pauk gaat lager dan de andere lage pauken bij het Concertgebouworkest, die dus veel kleiner zijn. Met mooie dikke stokken en veel gebaar moet je proberen daar toch een lage toon uit te krijgen en dat lukt soms niet echt. De laagste pauk die we nu hebben geeft een lage F, deze kan - afhankelijk van hoe hij is gestemd - een lage E, D of C halen.”

Dan geeft Komst de eerste slag, gevolgd door nog een flink aantal roffels. Ondertussen razen de machines in de werkplaats gewoon door. “De karakteristiek is nu moeilijk te beoordelen, de akoestiek hier is wat anders dan die in het Concertgebouw. Maar wat ik voel is wat ik verwacht had: mooi en warm. Nu zit het oude vel er nog op, maar volgende week krijg ik een nieuw vel uit Ierland, dat is dunner en dan zal de pauk wat briljanter klinken, wat meer gedefinieerd. Een kalfsvel heeft normaal een doorsnee van een meter, hier hebben we 130 cm voor nodig, dat is dus van een heel groot kalf.”

    • Kasper Jansen