De reis

Nog even met de hond naar het Bredius. Het vaste rondje, maar ik voel me wankel, heel vergankelijk. Er schiet een vliegtuig door me heen en fttt, zeg ik, verdwenen, weg.

De hond kijkt onderzoekend op. Ik hoop dat er voor hem een goed tehuis gevonden wordt, een afgelegen boerderij of zo, een stille oude dag. Ik vraag me af of hij zich mij herinnnert en hoelang.

Ik hou niet van vliegen. Ik hou van lopen. En ik hou van lezen. Ik lees De reis van Sint Brandaan, zo halfweg uit de Middeleeuwen, toen afstand nog hetzelfde was als tijd, toen reizen nog een wonder was, de reis een nog maar net ondekte metafoor voor ons bestaan.

Ik lees De reis van Sint Brandaan, rij twaalf, stoel E, op vijfendertigduizend voet. Van Amsterdam naar Malaga, drie uur. Je kleedt je thuis al op de weersomstandigheden die je ginds verwacht. De reis misschien nog steeds een metafoor voor ons bestaan, maar dan alleen voor de kortstondigheid ervan.

Natuurlijk ben ik gewaarschuwd voor de verschrikkingen van de Costa del Sol. Maar het is zo'n kleine moeite en het kost zo weinig geld. Voor zevenhonderdvijftig gulden ben je heen en weer en heb je bovendien een huisje in een park met aloë's en palmen. Net zoals de Zuidpool zijn eigen koude genereert, genereert het toerisme zijn eigen toeloop. En erger dan de Randstad kan het toch niet zijn?