De bijbel en Shakespeare

In Antwerpen heet de toneelschool Hoger Instituut voor Dramatische Kunst. Bijna schreef ik Kunsten omdat het dan nog deftiger, nog Hoger had geklonken. Ik heb er eens jaren geleden met leerlingen Jarry's 'Ubu Roi' in elkaar gestoken. Dat werd me een hele toestand, want ik had bedacht dat het decor, het speelvlak en de rekwisieten uit kranten moesten bestaan. Een geweldige berg die dagelijks weer met duizenden verse moest worden aangevuld, omdat na een dag repeteren de fut uit de kranten was door al dat geloop en geren. Een leerling, een woeste Artevelde met een eeuwenoude kop maar nog geen twintig jaar, kreeg er eens genoeg van: “Sterf toch met uw gazetten!”

In de zomer zit ik met de directeur en een aantal docenten op het caféterras voor de toneelschool want er is die avond een belangrijke vergadering waarvoor ik speciaal uit Nederland ben gekomen. (In België: “U zult wel honger hebben na zo'n lange reis, laat ons eerst wat gaan eten.” In Nederland: “U bent wat aan de late kant, zullen we maar meteen beginnen?”)

De directeur stelt me voor aan een toevallige passant, een keurig verzorgde heer van stevig in de zeventig. Maatkostuum met vest en een horlogeketting van puur goud. Witgrijs haar en een witgrijs, zorgvuldig bijgeknipt snorretje. Een vriendelijke, grootvaderlijke verschijning, die me bekend voorkomt.

“Dit is de heer Walter de Ridder”, en even later heimelijk: “De zoon van Elsschot.”

Dan zit ik naast de zoon van de door mij zo vereerde meester. Wat lijkt die man op zijn vader. Ontroering en opwinding. Zo dicht bij de bron. Elsschots oudste zoon die ik van de vroegste foto's ken. Bij familiefeestjes waar het gezellig lijkt toe te gaan, zit Elsschot er meestal als een vreemdeling bij. Lieve deugd, wat kon die man argwanend kijken. Zo niet zijn zoon. Die heeft voor iedereen een kwinkslag bij de hand.

“U komt uit Nederland waar de schrijver Elsschot wordt vereerd. Het was vorige week precies twintig jaar geleden dat hij stierf. Wat denkt u, dat er ook maar één boekhandel in Antwerpen, de stad waar hij notabene is geboren, daarover gewag maakt in zijn etalage? Ik weet zeker dat ze in Amsterdam bij die fameuze boekhandel op dat roerige pleintje zeker een, misschien zelfs twee etalages met zijn boeken en foto's hebben ingericht. In uw land wordt mijn vader geëerd en gelezen. Ik ben namelijk de zoon van Willem Elsschot.”

Hij verbaast zich in het geheel niet dat ik alles van zijn vader heb gelezen. Dat ik het grootste deel van zijn gedichten uit mijn hoofd ken.

“Het zijn er geen honderden, dat is waar, maar ze onthouden goed. Mijn vader was een man die je niet gemakkelijk doorgrondde. Zelfs zijn eigen kinderen niet, misschien zelfs niet zijn vrouw. Een man van weinig woorden. Soms kwam hij 's avonds niet aan tafel. Mijn moeder dekte voor hem. De volgende dag bleef hij ook weg. Dan zat hij weer op zijn oude plaats. Niemand vroeg iets.”

De vergadering gaat beginnen. Iedereen stapt op. Maar Walter de Ridder vertelt over zijn vader en hij is nog lang niet uitgepraat omdat hij aan mij een willig gehoor heeft. Laat die anderen maar vergaderen. Mijn hele leven kan er nog vergaderd worden. Ik blijf hier.

“Hij bezat maar een paar boeken. De bijbel had hij en Shakespeare. Zijn eigen werk vaak niet in voorraad. Had hij er een nodig dan vroeg hij er een aan mij. 'Walter heb je misschien een Villa des Roses voor me?' Hij kon er mooi uit voorlezen. Soms werd hij er zo door geroerd dat hij niet meer in staat was verder te gaan. Mijn vader was geen opschepper en ik begreep hem als hij sprak: 'Dat heb ik toch schoon opgeschreven nietwaar, Walter?' ”

Bier en verhalen. Op het Hoger Instituut worden de lichten gedoofd. De leraren komen naar buiten. De vergadering is afgelopen. “Daar zit u nog”, glimlacht de directeur. “Ik wist het toen ik u beiden achterliet. Het was me van u tegengevallen als u met ons was meegekomen.”