Stop steun aan failliet reactortype

De meeste landen hebben hun plannen voor snelle kweekreactoren op de lange baan geschoven. Zo niet Engeland, dat rustig doorgaat met THORP, een grote opwerkingsinstallatie van gebruikt uranium.

Leigh Hancher en Harry Post pleiten voor openbaarmaking van de Nederlandse betrokkenheid bij dit in hun ogen zeer twijfelachtige project.

In februari is bekendgemaakt dat de Japanse regering de bouw zal uitstellen van een snelle kweekreactor. Die maakt deel uit van het gigantische kweekreactorenproject dat Japan al sinds 1966 probeert uit te voeren. Tegelijkertijd werd bekend dat Frankrijk de 'Superphénix', ook een kweekreactor, in de toekomst niet langer commercieel, maar alleen nog voor onderzoeksdoeleinden zal gebruiken. In Duitsland was al besloten de - reeds voltooide - kweekreactor in Kalkar niet in gebruik te nemen, terwijl ook de experimentele kweekreactor in het Schotse Dounreay dit jaar zal worden gesloten.

Met de Japanse en Franse besluiten lijkt nu een definitief einde te zijn gekomen aan de grootscheepse plannen van een flink aantal landen (waaronder Nederland) om met kweekreactoren in een substantieel deel van de energiebehoefte te gaan voorzien. De toestemming van de Britse regering, op 4 maart bevestigd door het Britse High Court, om een nieuwe nucleaire opwerkingsfabriek, THORP (Thermo Oxygen Reprocessing Plant) op het Sellafieldcomplex in West-Engeland in bedrijf te stellen, komt door deze besluiten in een nog curieuzer licht te staan. De bijdrage van Nederland aan het welslagen van THORP via de contractuele band met de centrale in Dodewaard is hoognodig toe aan heroverweging.

Door THORP kunnen met behulp van het purex-procédé, gebruikte uraniumstaven worden opgewerkt tot opnieuw bruikbare brandstof voor de moderne generatie lichtwaterreactoren. Tot die generatie behoren ook de centrales in Borssele en Dodewaard. Deze brandstof, genaamd MOX, bestaat uit een mengsel van verrijkt uranium en plutonium.

Met verrijking leken in de jaren zeventig drie vliegen in een klap te worden geslagen. Ten eerste kon door hergebruik een dreigend tekort aan reactorbrandstof worden ondervangen. Ten tweede kon zo het probleem van groeiende hoeveelheden gebruikte brandstof van reactoren en van ander radioactief afval deels worden aangepakt. Deels, want ook verrijking zelf produceert een niet geringe hoeveelheid radioactief afval. Deze methode leek echter commercieel aantrekkelijker dan het vormen van afvalopslag. Ten slotte werd de mogelijkheid plutonium te produceren op zichzelf gezien als aantrekkelijk omdat het gebruik van plutonium in kweekreactoren een hoge vlucht leek te gaan nemen.

Dit laatste perspectief mag na de Japanse en Franse stappen als verdwenen worden beschouwd. Van de staten die wetenschappelijk en commercieel nog enig vertrouwen hadden in kweekreactoren is - nu Frankrijk ook afvalt - alleen Japan overgebleven, maar dan wel op een heel ander niveau dan gepland. Van het oorspronkelijke Japanse programma is tot nu toe alleen de Monju-kweekreactor, met grote vertraging gerealiseerd. Deze reactor wordt vermoedelijk dit jaar opgestart. Als dat gebeurt, zal Monju de enige kweekreactor ter wereld zijn die misschien ook commercieel zal opereren.

De belangrijkste reden voor het Japanse besluit tot uitstel is dat de bedrijfskosten van kweekreactoren vele malen hoger liggen (naar schatting tussen 5 en 15 maal) dan die van conventionele kernreactoren. Daar komt bij dat de hevige protesten, in november 1992 van Greenpeace maar ook van buurlanden, tegen het transport over zee van de benodigde plutonium uit Frankrijk, in Japan toch meer indruk hebben gemaakt dan was gedacht. Bovendien blijkt men ook in Japan (ook door de gebeurtenissen in Noord-Korea) niet langer ongevoelig te zijn voor het gevaar dat de wereldvoorraden plutonium nog veel groter worden omdat plutonium een onmisbaar ingrediënt is bij de produktie van kernwapens. Vermoedelijk is van Amerikaanse zijde informeel druk uitgeoefend. Non-proliferatie van kernwapens is immers uitgegroeid tot een van de belangrijkste doelstellingen in de buitenlandse politiek van de VS die zelf hun kweekreactorprogramma al vijftien jaar geleden hebben stopgezet. Opmerkelijk is dat de Britse regering in december 1993 heeft toegegeven sinds 1991 niet minder dan 46 keer plutonium uit zijn al bestaande opwerkingsfabrieken voor eigen militaire doeleinden te hebben gebruikt.

Ook de andere voordelen van verrijking, de recycling van bruikbare uranium voor kernreactoren en de daarmee verbonden aanpak van het afvalprobleem, hebben in de laatste jaren een belangrijk deel van hun (commerciële) aantrekkelijkheid verloren. Vooral door de ontwikkelingen in de voormalige Sovjet-Unie is uranium als brandstof voor kernreactoren in de wereld niet schaars meer. Integendeel: er is zo veel beschikbaar dat de prijzen ervan verrijking als aantrekkelijk commercieel procédé in feite uit de markt hebben gewerkt. In ieder geval is ook zonder THORP de opwerkingscapaciteit in de wereld (alleen Frankrijk en Groot-Brittannië hebben overigens faciliteiten) al meer dan voldoende. Voor het afvalprobleem is weliswaar nog geen definitieve oplossing gevonden, maar opslag op land - inclusief in waterbassins voor gebruikte uraniumbrandstof - wordt nu, in navolging van de VS, wijdverbreid toegepast.

Er zijn nog andere redenen waarom het besluit tot ingebruikname van THORP zo weinig enthousiasme heeft teweeggebracht, niet alleen bij milieuorganisaties maar ook bij de regeringen van een hele reeks staten: Ierland, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland en IJsland. Een belangrijk argument was de extra belasting van het maritieme milieu die THORP zal gaan opleveren, vooral voor de Ierse Zee, die toch al de reputatie heeft 's werelds 'most radioactive sea' te zijn. Afgezien van de ongelukken die zich al sinds de jaren vijftig hebben voorgedaan en ongetwijfeld blijven voordoen, was vooral het 'normale' produktieproces van de Sellafield (voorheen Windscale) installaties met zijn permanente lozing van radioactieve stoffen de grote boosdoener van de vergaande vervuiling van de Ierse Zee.

Over de consequenties van de voortdurende radioactieve belasting van, vooral, het Engelse en Ierse leefmilieu, woedt al lange tijd een hevige wetenschappelijke discussie. Centraal stonden vragen als: is er een direct causaal verband tussen de nucleaire produktie van Sellafield en opvallend grote aantallen leukemiegevallen, vooral onder kinderen die op enigerlei wijze (woonplaats, werk van de ouders, etc.) met Sellafield te maken hebben. Al lijkt de waarschijnlijkheid daarvan vaak nog zo groot, gerechtelijke procedures tegen BNFL (British Nucleair Fuels Ltd.), de onderneming die verantwoordelijk is voor de installaties, zijn steeds blijven steken in de zware eis een wetenschappelijk sluitend bewijs te leveren voor dergelijke causale verbanden.

Dat ook Nederland zich bij monde van minister Maij verontrust toonde toen het besluit over THORP bekend werd, zal niet verbazen gezien de nabijheid van THORP en de persoon van de minister. Zij heeft als minister en daarvoor als lid van het Europarlement al meermalen bezorgd getoond over de Britse plannen.

Toch zitten er opmerkelijke kanten aan de Nederlandse houding jegens THORP. Nederland is niet alleen maar een potentieel slachtoffer van ongelukken in de opwerkingsfabriek of de verdere vervuiling van het zeemilieu, maar heeft 170 miljoen gulden direct aan THORP meebetaald. Ook heeft het een verantwoordelijkheid op zich genomen voor het voortbestaan van THORP. In 1978 al is namelijk een contract tussen de Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland (GKN, verantwoordelijk voor de centrale in Dodewaard) en BNFL, ten behoeve van de Dodewaard-reactor afgesloten. Dit contract ligt, wegens “de in het geding zijnde commerciële aspecten”, zoals Kamerstukken zeggen, onder een deken van geheimzinnigheid verborgen. Dat geldt overigens ook voor het parlement: alleen enkele Kamerleden hebben indertijd onder geheimhoudingsplicht een uittreksel mogen inzien. In ieder geval is duidelijk dat het om de verrijking van opgebrande splijtstof van de reactor in Dodewaard gaat. Vooruitlopend op de (steeds uitgestelde) ingebruikname van THORP is inmiddels al een grote hoeveelheid gebruikt uranium naar Sellafield afgevoerd en daar opgeslagen, maar dus nog niet opgewerkt. De uitgeputte uranium van Borssele wordt overigens op grond van een vergelijkbare regeling in het Franse Cap La Hague opgewerkt.

Gezien de gewijzigde omstandigheden is het ook de hoogste tijd voor een heroriëntatie van het Nederlandse beleid over de verrijking van gebruikte kernreactorbrandstof. Dit zeker, nu opwerking door THORP daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. Ook in zijn High Court vonnis van 4 maart, het resultaat van voorlopig de laatste juridische poging om ingebruikname van THORP te voorkomen, benadrukte Mr. Justice Potts “de noodzaak het publiek afdoende te informeren over zaken zoals THORP”. Hij nam vanwege hun bijdrage daaraan het ongebruikelijke besluit het graafschap Lancashire en Greenpeace niet tot betaling van de - zeer aanzienlijke - proceskosten te veroordelen.

Een eerste stap in Nederland in dat opzicht moet het openbaarmaken van de opwerkingscontracten met BNFL zijn. De mogelijke 'commerciële aspecten' daarvan lijken toch onvoldoende rechtvaardiging om een openbare discussie te blokkeren over de noodzaak van verdere Nederlandse betrokkenheid bij het uit milieu-, proliferatie- maar ook commercieel gezichtspunt dubieuze THORP-project. Voor het probleem van radioactief afval, daarbij inbegrepen het gebruikte uranium van zowel Dodewaard als Borssele, zijn betere alternatieven dan opwerking beschikbaar.

    • Harry Post
    • Leigh Hancher