SCHINDLER

Schindler's List van Spielberg is juist zo geslaagd, schrijft Ian Buruma in deze krant, omdat hij ons de nazi-moordenaars niet heeft laten zien als uitzonderlijke duivels. Ze waren maar al te menselijk, en dat maakt hen juist zo angstaanjagend. In grote lijnen volgt Buruma de redenering van Hannah Arendts 'banaliteit van het kwaad' als hij zegt dat kampbeulen als Amon Goeth niets belachelijks of demonisch hadden. Ze waren heel gewone mensen, die zich binnen de omstandigheden normaal gedroegen. De omstandigheden waren monsterlijk en mensen als Oskar Schindler werden daarin 'abnormaal'.

Er zullen altijd wel figuren als Amon Goeth onder ons verkeren, zegt Buruma. Alledaagse, fidele mensen, die in een iets andere situatie ineens professionele moordenaars blijken te zijn. De vraag is of we ook altijd figuren als Oskar Schindler in ons midden hebben. Anders gezegd: of de banaliteit van het kwade gepaard gaat met de banaliteit van het goede.

Op dit punt blijkt Spielbergs onmacht. De beulen en slachtoffers heeft hij zenuwslopend realistisch in beeld gebracht, maar op de persoon van Oskar Schindler krijgt hij geen greep. De film is een ode aan een cliché-held, die gaandeweg een heilige wordt en daardoor net zo onwaarschijnlijk overkomt als wanneer de nazi's waren neergezet als de gebruikelijke cliché-monsters. Op het laatst, als de oorlog is afgelopen en Schindler afscheid neemt, vervalt Spielberg zelfs helemaal in een gênant soort Hollywood-melodrama door de man snikkend te laten verkondigen dat het hem zo spijt dat hij niet méér mensen heeft gered. Deze laatste scène is zo lelijk en ongeloofwaardig, dat het je onrustig maakt. Ik zou, in tijden van nood, liever willen rekenen op de doodgewone goedheid van mensen, in plaats van te moeten wachten op zo'n zeldzame en ietwat groteske heiligheid.

Het intrigerende van een man als Oskar Schindler is natuurlijk wat hem bezielde. Waar werd hij door gedreven, wat was zijn motief, wat wilde hij bereiken, welk doel had hij voor ogen? Alle elfhonderd joden die door hem zijn gered en al hun nakomelingen en alle historici die zich met Schindler bezighielden hebben het zich afgevraagd, en de worsteling met dit thema leverde Thomas Keneally uiteindelijk de hoogste literaire onderscheiding van Engeland op.

Keneally begint zijn boek over Schindler met de de toelichting dat dit een verhaal is van de 'pragmatische overwinning van goed op kwaad'; een vertelling over de deugd, al is het in dit verband misschien een lastig woord. Want Schindler was niet deugdzaam in de brave zin. Hij was een playboy, een dandy, een hedonist die dol was op auto's, sieraden en SS-blondines. Hij was een man met stijl. Een flamboyante charmeur, een gokker en een roekeloze brasser. Zijn minnaressen werden overladen met juwelen, zijn zakenvrienden met wijnen en delicatessen, maar ook de eerste de beste taxichauffeur kreeg van hem een dubbele fooi. Het was handig, die vrijgevigheid, maar het was Schindler lang niet altijd om die handigheid te doen. Het was gewoon zijn aard. Hij was belust op gezelschap en het kon hem niet echt schelen of hij zat te drinken met filosofen of boeven, als ze maar gezellig waren. Hij had geen al te zwaarwichtige denkbeelden over het leven en toen hij in 1938 een hakenkruisembleem op zijn double-breasted smokingjasje speldde, deed hij dat niet omdat hij zoveel betekenis hechtte aan kwesties als ras of bloed en bodem, maar omdat, zoals Keneally het zegt, 'het iets was wat jonge Tsjechische Duitsers dat seizoen droegen''.

Zijn enige verheven gedachte vatte hij als volgt samen: 'Ik ben van nature een kapitalist en ik hou er niet van aan voorschriften te worden gebonden.'' Dit is een sleutelzin. Thomas Keneally is geneigd om hem te interpreteren als pragmatisme, en dan in de slechte zin van opportunisme. Maar je zou het ook anders kunnen opvatten: voor de kapitalist is de enige juiste verhouding de zuivere zakelijkheid. Een zakelijkheid waar niets aan vooraf gaat en waar niets achter verborgen zit. De verhouding tussen de kapitalist en de arbeider heeft niets te maken met verwantschap, stand, ras of cultuur. Het kapitalisme is, zoals Marx zei, een vorm van bevrijding geweest, waarbij de arbeider bevrijd werd van familiebanden en alle andere loyaliteiten. En de kapitalist heeft dus, net als de arbeider, een fundamenteel belang bij een minimum aan vrijheid en gelijkheid, of algemener: bij een minimum aan beschaving.

In die zin was Oskar Schindler een kapitalist. Hij werd woedend toen hij hoorde dat zijn joodse arbeiders onderweg naar de fabriek waren aangehouden om sneeuw te ruimen voor de nazi's. Hij vond dat fabriekseigenaren ongehinderd over hun arbeiders moesten kunnen beschikken en dat die arbeiders niet getiranniseerd mochten worden. 'Dat was in de ogen van Oskar evengoed een moreel als een industrieel axioma'', schrijft Keneally. Schindler was een kapitalist, geen woekeraar. Toen hij het loon van zijn arbeiders niet meer rechtstreeks mocht uitkeren maar aan het SS-hoofdkwartier moest afdragen, woog het economische voordeel niet op tegen de onbehaaglijkheid: hij was een ondernemer, geen slavenhouder! En toen hij vernam dat hij zijn fabriek moest hervestigen, wat betekende dat zijn arbeiders naar Auschwitz zouden worden gedeporteerd, ergerde hij zich in de eerste plaats aan de toon van de brief: die was arrogant en kleinerend.

Goed, men kan beweren dat Schindler veranderde, nadat hij vanaf de heuvel getuige was van de massaslachting in het getto. Hij ging naar huis, schonk zich een cognac en nam het plechtige besluit 'om alles te doen om het systeem te verslaan'. Dat klinkt heroïsch en het lijkt op een hoger doel, wat niet past bij een man die nooit een politiek standpunt heeft willen innemen omdat dat niet strookt met het zakelijke verkeer. Maar waarom wilde hij het systeem verslaan? Zat daar een groot moreel oordeel achter? Neen, zo blijkt uit Keneally's reconstructie. Schindler werd door het systeem in verlegenheid gebracht, en dat was wat hem betreft een afdoende motief om te doen wat hij heeft gedaan. Een vriend beschreef hem als 'een zinnelijk mens die zich diep verontwaardigd voelde als hij getuige was van wreedheid'. Het gaat hier vooral om het woordje zinnelijk: Schindler was een levensgenieter, hij genoot letterlijk van het leven, en daarom juist niet van de dood.

Spielbergs Schindler is een melodramatische held die met grote gebaren het goede betracht. Vanaf het allereerste begin lijkt hij er bewust op uit te zijn mensenlevens te redden. Keneally's Schindler daarentegen is een ironische held, die tot het laatst blondines versiert en decadente maaltijden nuttigt terwijl de mensen die hij aan het redden is bijna omkomen van de honger. Maar ze vergeven het hem, omdat ze weten dat zijn goedheid net zo existentieel is als zijn cognac-warme adem.

Keneally gaat zelfs zo ver Schindler en Goeth met elkaar te vergelijken. Ze drinken graag samen en delen dezelfde voorliefdes. 'Men kan zich moeilijk onttrekken aan de gedachte dat Amon de donkere broeder van Oskar was, de woesteling en fanatieke beul die Oskar door een ongelukkige wending in zijn voorkeuren misschien had kunnen worden''.

Schindler werd, kortom, door een gelukkige wending in zijn voorkeuren een rechtvaardige goj. In vredestijd zou zijn karakter niemand zijn opgevallen, zoals zijn echtgenote later opmerkte. En dat is volkomen juist; zijn goedheid was alledaags, banaal en terloops. Hij was, in de meest monsterlijke omstandigheden, alleen maar zichzelf gebleven.

    • Anil Ramdas