Raymond Aron (1905-1983); Een figuur op afstand

Nicolas Baverez: Raymond Aron. Un moraliste au temps des idéologies 542 blz., geïll., Flammarion 1993, ƒ 61,50

Na de dood van Raymond Aron verbreidde zich de mythe dat hij zich nooit in een politiek oordeel had vergist. Dat, schrijft Nicolas Baverez in zijn biografie Raymond Aron. Un moraliste au temps des idéologies, was een misvatting. Maar hij had wel heel vaak gelijk gehad.

Tientallen jaren lang was Aron de verpersoonlijking van een politiek realisme dat voor rechts doorging en daarom door het overgrote deel van de Franse intelligentsia bij voorbaat werd verworpen. Hij was de bête noir van de studenten van mei 1968, wier revolutie hij een 'psychodrama' noemde. Maar ook rechts schokte hij regelmatig. Zijn pleidooi voor de dekolonisatie van Algerije aan het eind van de jaren vijftig is hem door de Franse nationalisten nooit vergeven. Arons anticommunisme leidde na de oorlog tot een breuk met Sartre, zijn 'maatje' op de École normale supérieure. Zijn atlantisme en afkeer van megalomanie vervreemdden hem van de Gaulle, van wie hij - ten onrechte - wel de geheime ideoloog werd genoemd.

Pas aan het eind van de jaren zeventig werd Aron salonfähig. De ideologische kou van communisme en maoïsme raakte uit de lucht. De handdruk tussen Sartre en Aron tijdens een solidariteitsbijeenkomst voor de Vietnamese bootvluchtelingen in 1979 haalde in meer dan honderd landen de krant. Hij bezegelde het einde van een tijdperk.

Onafhankelijkheid

Een reeks indrukwekkende tv-interviews, in boekvorm gepubliceerd onder de titel Le spectateur engagé, maakte Aron populairder dan hij ooit geweest was. Zijn bijna duizend pagina's tellende Mémoires werden in 1983 een bestseller. Enkele weken daarna overleed hij, achtenzeventig jaar oud. De ineenstorting van het Sovjet-imperium stond op het punt te beginnen.

Daarmee dreigt Arons betekenis, aldus Baverez, door zijn eigen succes te worden verzwolgen. Was hij niet bij uitstek een Koude-Oorlogsdenker, die in duizenden krantencommentaren de Sovjet-Unie als grootste bedreiging van de vrijheid had aangewezen? Zijn schaarse politieke taxatiefouten zijn mede te wijten aan de allesoverheersende plaats die het Oost-Westconflict voor hem innam. Daarom overschatte hij de consequenties van de oorlog tussen China en India in 1962 en miskende hij de aard van de Iraanse machtswisseling onder Khomeiny, die hij aanvankelijk als een communistische manteloperatie beschouwde.

Baverez zoekt Arons blijvende betekenis allereerst in diens intellectuele onafhankelijkheid, die weigert op te houden met denken terwille van een geloofsbelijdenis of politieke wenselijkheid. Dat maakte hem niet tot een neutraal waarnemer. Als een van de weinigen had hij als student aan de École normale een actief links-politieke oriëntatie; in 1938 begon hij de verdediging van zijn proefschrift Introduction à la philosophie de l'histoire met de vraag: 'Waarom ben ik socialist?'

Die persoonlijke vraag hoorde voor hem onverkort in de wetenschappelijke reflectie thuis. Het is een illusie te menen dat geschiedwetenschap bedreven kan worden in onpersoonlijke en tijdloze neutraliteit, houdt hij de verbijsterde jury voor. De Sorbonne moet niets weten van de Duitse ideeën van Husserl, Weber of Mannheim, die Aron tijdens een verblijf in Keulen en Berlijn heeft bestudeerd en als eerste in Frankrijk heeft gepopulariseerd. Ze leiden in Franse ogen tot een ontoelaatbaar relativisme.

In werkelijkheid is Arons geschiedfilosofie een poging de strijd tegen het relativisme te situeren op het vlak waar het volgens hem thuis hoort. Niet de feiten geven het denken zijn ankerpunt, maar de rede; niet de wetenschappen voorzien het denken van zijn oriëntatiekader, maar de filosofie. Voorwaarde daartoe is wel dat het denken zijn kritische plicht ernstig neemt. Het moet durven onderscheiden tussen wat logisch en kritisch onweerlegbaar is en wat behoort tot de persoonlijke keuze. En daarom, aldus Aron, moet het durven beginnen met een vraag als: 'Waarom ben ik socialist?'

Het zijn thema's die na de oorlog in het existentialisme populair zullen worden. Ook Sartre was inmiddels, op aanraden van Aron, in Duitsland gaan studeren. Maar terwijl de nog altijd a-politieke Sartre van zijn verblijf weinig meer dan de fenomenologische methode opsteekt, is de joodse Aron diep geschokt geraakt door de dreiging van het triomferend nazisme. Hij herziet zijn pacifistische overtuigingen en vat een toenemende sympathie op voor het liberalisme. Of hij in 1938 de vraag naar zijn eigen socialisme nog geheel te goeder trouw stelt valt dan ook te betwijfelen.

Een jaar later houdt hij een provocerende rede waarin hij nazisme en fascisme niet primair tegenover het communisme maar tegenover de democratieën situeert. Diplomatieke conflicten worden niet uit ideologische conflicten geboren, verklaart hij, en de heersende spanningen zijn niet met economische maatregelen te bezweren. Hij benadrukt het revolutionaire karakter van de totalitarismen en hun onmiskenbare economische, politieke en militaire succes. Democratieën, zegt hij, zijn wezenlijk conservatief; het 19de-eeuwse politieke optimisme is dood. Maar het alternatief 'communisme of fascisme' is niet fataal.

Pragmatiek

Daarmee heeft hij de belangrijkste elementen van zijn politieke denken geformuleerd. Politiek, vooral de internationale politiek, is geen kwestie van idealen, maar van macht en strategie. Zij is de kunst van het mogelijke, niet van het wenselijke. Het enige alternatief voor een totalitair regime is de democratie, hoe weinig efficiënt en hoe zwak zij soms ook mag zijn. En het liberalisme blijkt van alle politieke oriëntaties het best in staat de persoonlijke vrijheid te garanderen waarop de democratie steunt. Arons keuze voor het liberalisme is altijd allereerst een kwestie van pragmatiek geweest.

Binnen twee maanden na zijn rede geeft de geschiedenis hem op hoofdpunten gelijk. In augustus 1939 meldt de Franse radio dat Hitler en Stalin een niet-aanvalsverdrag hebben gesloten. Een Duitse aanval op Frankrijk is vanaf dat moment nog slechts een kwestie van tijd. Na de capitulatie weigert Aron zich bij de Duitse overwinning neer te leggen. Hij vlucht per boot naar Londen, waar hij tevergeefs probeert actief in de strijd te worden ingezet. In plaats daarvan wordt hem het redacteurschap van het Franse tijdschrift La France libre aangeboden: voor de buitenwacht de stem van de Gaullisten, voor de Gaullisten een kritische tegenstem. Aron schrijft politieke en strategische commentaren, die hem in Engeland en Amerika groeiende faam bezorgen. Bij de Duitse overgave heeft het blad een oplage van 60.000 exemplaren.

Na de oorlog is hij nauw twee maanden medewerker van Malraux in het kabinet van de Gaulle, tot deze laatste abrupt aftreedt. Aron kiest voor een journalistieke carrière, niet voor de universiteit. Samen met Sartre en de Beauvoir richt hij Les temps modernes op. Naast Camus wordt hij commentator in de voormalige verzetskrant Combat. Arons keuze voor de partij van de Gaulle, die hij op dat moment als de enige geloofwaardige politieke macht beschouwt, maakt een einde aan deze samenwerking. In 1947 treedt Aron in dienst van Le Figaro. Het tijdperk van de grote verwijdering en van Sartres krenkende commentaren is begonnen.

Leerstoel

In 1955 publiceert Aron zijn geruchtmakende boek L'Opium des intellectuels, waarin hij zijn linkse tegenvoeters verwijt hun kritisch denkvermogen te hebben opgeofferd aan de seculiere religie van het marxisme. Het maakt zijn terugkeer naar de universiteit - zijn eigenlijke roeping, beseft hij inmiddels - er niet gemakkelijker op. Met grote moeite verkrijgt hij in hetzelfde jaar een leerstoel in de sociologie aan de Sorbonne, die hij in 1970 inruilt voor een benoeming aan het Collège de France, blij de onhoudbaar geworden situatie met zijn voormalige assistent Pierre Bourdieu te kunnen ontvluchten. Niet voor Sartre, wie hij zijn respect nooit onthouden heeft, maar voor de 'sekteleider' en 'intrigant' Bourdieu heeft Aron in zijn Mémoires de hardste woorden over.

Baverez neemt Aron in bescherming tegen het verwijt een kil en emotieloos denker geweest te zijn. Hij benadrukt zijn aanvankelijke twijfels over het eigen kunnen en later zijn worsteling met zijn joodse identiteit en met de vraag waarom hij tijdens de oorlog gezwegen heeft over het antisemitisme van de regering in Vichy.

Het aangrijpendst is misschien wel Arons radeloosheid wanneer in 1950 binnen enkele weken tijd zijn dochtertje aan leukemie overlijdt en een baby als mongooltje ter wereld komt. De Gaulle, die zelf een gehandicapte dochter heeft, nodigt hem uit. 'Hij drukte zich met terughouding uit', schreef Aron in zijn Mémoires, 'als om de emoties en de pijn te verbergen die hem met zijn kind verbonden. Maar tegelijk toonde hij daarin zijn gevoeligheid, of beter zijn kwetsbaarheid. Hij bood mij niet zijn medelijden, maar in zijn eigen beproeving kwam hij de mijne nabij.'

Aron zelf heeft de roep van kilheid in zijn tv-interviews en vooral zijn Mémoires al overtuigend weerlegd, hoe ingehouden hij zijn emoties daarin ook verwoordde. Bavarez, die Arons herinneringen bijna slaafs volgt, weet aan dat menselijk zelfportret maar weinig toe te voegen. Zijn bronnen bestaan, naast deze herinneringen, vooral uit Arons correspondentie en de getuigenissen die na diens dood verschenen. Van enig eigen onderzoek is in Bavarez' biografie niets te merken. Daardoor blijft Aron in dit boek, ondanks alle biografische details, een figuur op afstand. Zo zou hij het zelf ongetwijfeld het liefst hebben gewild. Net als de Gaulle moet hij terughoudendheid hebben beschouwd als een kwestie van goede smaak, ten aanzien waarvan schaamte geen schuldbekentenis maar een deugd is.