Papierdistributie

De eerste naoorlogse Volkskrant was als alle dagbladen die na de bevrijding weer verschenen een miniem krantje, dat gemaakt werd door een redactie die geen naam mocht hebben. De vier redacteuren-kwartiermakers, die de voormalige Utrechtse katholieke vakbondskrant, in Amsterdam onder een nieuwe vlag lieten herrijzen, begonnen met vrijwel niets aan hun opmars door 'heel katholiek Nederland'. Ze huurden kamers bij het Handelsblad, drukten op de persen van het Handelsblad en schreven hun eerste kopij grotendeels met de hand. Volgens Martin Sommer, de biograaf van J.M. Lücker, de schepper en hoofdredacteur van de nieuwe krant, moest de redactie het in die eerste weken doen met één schrijfmachine.

Zulke verhalen zullen we in de vele herdenkingen van de bevrijding die we in het komende jaar voor de boeg hebben, in allerlei varianten tegenkomen. Minister-president Schermerhorn schreef zijn radiotoespraken op vooroorlogse blocnotes die hij als schatten door de oorlogsjaren had geloodst. Nieuw schrijfpapier werd nog niet geproduceerd of geïmporteerd en de oude papiervoorraden van de overheid hadden de bezetting niet overleefd. De Duitsers hadden in het ministerie van Sociale Zaken (waar minister Drees de eerste dagen na de bevrijding niet met de buitenwereld kon communiceren) de telefoons uit de muur gerukt, ook daar de schrijfmachines geplunderd en vrijwel alles wat verder los en vast zat met zich meegesleept.

Krantepapier, schrijfpapier, papier voor boeken, het was alles even schaars, en in heel het land aan rantsoenering onderworpen. Voor papier zouden ze een moord doen, schrijft Martin Sommer over de kranten die onder de papierdistributie van de overheid (het Militair Gezag) gebukt gingen. Het Parool en Trouw, die als voormalige verzetskranten voorrang hadden boven de kranten met een minder respectabel verleden maar nog niet over eigen huisvesting en persen beschikten, hadden bezit genomen van het gebouw van De Telegraaf, die wegens heulen met de vijand enkele jaren (eerst zelfs voor een veel langere periode) niet mocht verschijnen. Krachtens revolutionair recht had het verzet het bolwerk van de collaboratie veroverd. 'Bijna letterlijk'', aldus Sommer in zijn biografie, die ook een beeldende geschiedenis van die periode is. 'Want ze verschaffen zich met het pistool in de vuist toegang tot het bastion aan de Nieuwezijds, uit angst voor sluipschutters.''

Ook die scènes zullen we in de komende herdenkingen van de bevrijding (en van de anarchie in de overgangsperiode tussen de bezetting en het herstel van de rechtsstaat) weer tegenkomen: de Wild-West-taferelen waarin de cowboys van de Binnenlandse Strijdkrachten en voormalige illegalen van de knokploegen oude vetes beslechtten met de schietwapens die ze niet hadden ingeleverd, omdat die nog van pas konden komen wanneer ze met bunkerbouwers e tutti quanti nog iets te verrekenen hadden.

Martin Sommers biografie van J.M. Lücker heeft terecht een goede pers gehad. Het is het een levendig en goed geschreven boek dat zowel uitblinkt door een kritische analyse van het journalistieke beleid van de Volkskrant onder Lücker als door een rake schildering van diens dynamische en tegenstrijdige persoonlijkheid. Vooral de paradoxen die Lückers leven beheersten, zoals die tussen zijn identificatie met de katholieke machten en zijn eigen ondiepe katholicisme respectievelijk zijn bourgeois-connecties, zijn goed getypeerd. Wat mij vooral bevalt is de humoristische ondertoon in het boek van Sommer waarin Lücker en de Volkskrant hier en daar met een gepast gebrek aan eerbied worden bejegend. De hoofdpersoon is wel Sommers held (een journalist die grote invloed op een generatie onderhebbenden heeft gehad) maar niet een aanbeden held. Sommer relativeert Lückers opgedofte verzetsverleden en stelt laconiek vast dat van alle dapperheid waarop Lücker zich na de oorlog liet voorstaan de documentatie ontbreekt. Zoals hij dat ook doet met zijn weergave van het beleid van de krant waaraan in Lückers eerste jaren een sterk wierookluchtje zat, want de krant hing zowel aan de rokken van de bisschoppen als aan de jaspanden van Romme en diens KVP.

Sommer is er naar mijn smaak in geslaagd Lücker in zijn biografie tot leven te wekken. Zoals in deze zin: 'Tussen Lückers kamer en de redactie schuift een deur met een matglazen ruit, waarin hij in de speciale Volkskrant-letter, de vette Stellar, het woord 'hoofdredactie' heeft laten uitsparen. In het geheugen van elke redacteur staat gegrift hoe je door die letters heen Lücker achter zijn bureau ziet zitten.'' Even mooi is de ironisch beschreven afloop van een hypocriet incident over het décolleté van de jonge verslaggeefster Marijke Vetter. Een paar 'geschokte' redacteuren riepen het kerkelijk gezag te hulp, maar kregen per kerende post de kous op de kop. De bisschop van Haarlem (niet te verwarren met de tegenwoordige ambtsdrager) antwoordde dat mevrouw Vetter 'een verfrissend element ter redactie vormt''.

Stilistisch is Krantebeest/J.M. Lücker, Triomf van een courantier een sterk boek (over de onzinnige titel zal ik niet vallen). Het bevat een weelde aan waarnemingen over de psychische dynamiek van een krant, met de bijbehorende sfeertekeningen waarvan alleen een journalist (Sommer is een redacteur van de Volkskrant, die bij NRC Handelsblad is begonnen) het geheim kent - in tegenstelling tot het gangbare type pershistorie, dat in het algemeen niet door insiders wordt geschreven.