Overleven

Eddy de Wind: Confrontatie met de dood. Psychische gevolgen van vervolging. Inl. A. van Dantzig

105 blz., Icodo Utrecht 1993, Op aanvraag, tel: 030-343436

Eddy de Wind (1916-1987) publiceerde in 1946 Eindstation Auschwitz. Het is een gedetailleerd verslag van zijn gevangenschap, in mei en juni 1945 op de plek des onheils geschreven, waar hij op verzoek van de Russen was gebleven om te helpen bij de verzorging van zieken - het boek werd in 1981 door Van Gennep herdrukt maar is nu weer uitverkocht. Na terugkeer in Nederland werd De Wind psychiater en psycho-analyticus en in die hoedanigheid behandelde hij veel overlevenden van kampen en onderduik.

Behalve een pionier inzake de kennis omtrent het 'concentratiekampsyndroom' was hij eveneens een van de eersten die oog hadden voor wat nu 'transgenerationele traumatisering' heet: de gevolgen die het heeft op de volgende generatie die opgroeit in een gezin met door de oorlog emotioneel gehavende ouders. Tussen 1947 en 1987 publiceerde hij over deze onderwerpen tal van stukken, een mengeling vaak van wetenschappelijke observaties en een geëngageerde poging begrip te kweken voor wat het mensen doet om langdurig te hebben blootgestaan aan een dreiging met de dood.

In 1987, kort voor hij overleed, raakte De Wind nog in een scherp debat verwikkeld met twee collega's die van mening waren dat posttraumatische gevolgen op lange termijn, de kop opstekend nadat iemand jarenlang redelijk heeft gefunctioneerd, niet zouden bestaan. Volgens De Wind echter was dat nu net wat hij bij veel van zijn patienten constateerde: zij hadden eerst hard gewerkt en gepoogd de oorlog te vergeten, en stortten later toch in, bijvoorbeeld na pensionering. Dat zulke late gevolgen wel bestaan is inmiddels onomstreden.

De Stichting ICODO heeft nu in een kleine brochure een aantal van De Winds belangrijkste artikelen voor een wat groter publiek toegankelijk gemaakt. Het mooiste stuk vond ik het oudste, 'Confrontatie met de dood', gepubliceerd in 1949. Hierin beschrijft De Wind in heldere bewoordingen en zonder het doktersjargon dat elders zijn verhaal nogal eens in de weg zit, de stapsgewijze psychische aanpassing aan de niet te vatten realiteit van het vernietigingskamp. Eerst het alles moeten inleveren, dan de scheiding van gezin en familie, dan de ongelooflijke mededelingen van wie er al langer zijn over wat hier gaande is, en vervolgens het met eigen ogen zien van de voortdurende 'selecties'. Om aan die feiten en de algehele verontmenselijking niet lichamelijk of geestelijk ten onder te gaan, moest men, volgens De Wind, de realiteit van de naderende dood aanvaarden maar tegelijkertijd voldoende vitaliteit behouden om op kritieke momenten zijn kansen te grijpen. Een tikje buiten bewustzijn maar toch steeds alert.

De Wind laat overtuigend zien hoe mensen in dit opzicht verschillen. Een van zijn latere patiënten had, toen hem naar zijn beroep was gevraagd, in een flits van besef niet 'diamantbewerker' geantwoord maar 'magazijnbediende' en zo iemand konden ze gebruiken. Maar bij anderen ebde de wil om onder deze omstandigheden in leven te blijven weg, wat een zekere dood betekende.

Veertig jaar later overigens wilde De Wind, zo blijkt in deze uitgave, de vraag of er persoonlijkheidskenmerken zijn die de overlevingskans beïnvloedden, niet meer stellen: waar ten hoogste één promille van de joden die in Auschwitz arriveerden er levend uitkwam, kun je, meende hij toen, nog slechts van toeval spreken; het zou hoogmoed zijn te denken dat hun overleving te maken had met hoe ze waren. Spreken zijn twee stellingen elkaar tegen? Nee. Ik denk dat Van Dantzig in zijn inleiding bij de bundel terecht stelt dat ze allebei waar zijn. Het was toeval wie de kans kreeg te overleven; maar wie dat toeval te beurt viel moest nog wel zien te overleven.