Kantonrechter steeds vaker kanaal voor ontslag

De rechtskundige dienst van het FNV verleende vorig jaar ruim 1100 keer bijstand aan leden over arbeidsrecht. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van 1992. Het ging veelal om ontslagkwesties. Werkgevers en werknemers gaan steeds vaker naar het kantongerecht om een arbeidsovereenkomst te verbreken.

U begrijpt welke bezwaren uw werkgever hier tegen u te berde heeft gebracht? Wilt u daar misschien nog iets tegen inbrengen?”, wendt de Rotterdamse kantonrechter zich aan het einde van de twintig minuten durende zitting opeens tot de blondbesnorde autoverkoper. De man schrikt en kijkt snel naar zijn advocaat, die hem even toeknikt: “Nee, ik wil liever op een nette manier afscheid nemen”, mompelt de verkoper, verlegen plukkend aan zijn snor. De advocaat van de werkgever zucht even tevreden en slaat zijn map met papieren dicht. De zaak is vrijwel gesloten, weet hij. Het wachten is nog slechts op de formele instemming van de kantonrechter en dan staat de verkoper met onmiddellijke ingang op straat - met de twee jaarsalarissen op zak die zijn werkgever als schadevergoeding heeft aangeboden èn het recht op een WW-uitkering.

De blonde autoverkoper is een van de negen werknemers die zich deze middag bij het Rotterdamse kantongerecht moeten vervoegen omdat hun werkgevers een verzoek hebben ingediend om de arbeidsovereenkomst te kunnen verbreken. Veel vuurwerk bieden de zaken niet: de werknemers - onder wie een verkoper, een vertegenwoordiger, een doktersassistente - ondergaan gedwee de opsomming van kritiekpunten door de advocaten van de tegenpartij. De vertegenwoordiger die door zijn baas een privédetective op het dak is gestuurd om te kijken of hij wel vaak genoeg bij klanten kwam, stribbelt via zijn advocaat weliswaar nog wat tegen, maar is intussen toch alvast aan het solliciteren geslagen. Ook de doktersassistente die denkt dat niet haar slordige omgang met patiëntengegevens maar haar zwangerschap voor de dokter de reden is geweest om haar op staande voet naar huis te sturen, heeft blijkbaar weinig behoefte om de zaak hoog op te spelen. Beide partijen hebben al overeenstemming bereikt over de hoogte van een schadevergoeding en willen dit alleen door de kantonrechter nog officieel bekrachtigd zien.

De kantonrechter is de laatste jaren door werkgevers 'ontdekt' als kanaal om personeel te ontslaan. Kregen de kantonrechters in 1980 nog minder dan duizend verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, in 1990 waren dat er al meer dan 10.000 en in 1992 was dit aantal meer dan verdubbeld tot 21.800. En de groei zet door. Volgens de meest recente cijfers behandelden de (aantal) kantonrechters alleen al in de eerste helft van 1993 16.000 verzoeken tot ontbinding. Gegevens over het hele jaar zijn er nog niet, maar als de huidige trend doorzet ligt het totaal boven de 30.000 en waarschijnlijk eerder in de buurt van de 40.000.

Deze stijging heeft deels te maken met de verslechterde economische situatie in Nederland, waardoor veel bedrijven uit het oogpunt van kostenbeheersing personeel moeten ontslaan. Maar minstens even belangrijk is de onvrede van veel werkgevers over de langdurige procedures die het arbeidsbureau hanteert voor het toekennen van ontslagvergunningen. De route via de kantonrechter is voor de werkgever weliswaar duurder - omdat hij de kosten voor een advocaat en een eventuele schadevergoeding voor de werknemer moet betalen - maar daar staat tegenover dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per onmiddellijk kan ontbinden en de werkgever dus de opzegtermijn niet hoeft door te betalen. Dat de ontbinding van arbeidsovereenkomsten via de kantonrechter terrein wint, blijkt uit het feit dat het aantal verzoeken om ontslagvergunningen bij de arbeidsbureaus in de eerste drie kwartalen van 1993 met 'slechts' 37 procent is gestegen (tot 80.861) ten opzichte van dezelfde periode in 1992.

De groeiende populariteit van de ontbinding via de kantonrechter is volgens de Amsterdamse hoogleraar P.F. van der Heijden, gespecialiseerd in arbeidsrecht, een logisch gevolg van de wens van werkgevers om hun personeelsbestand te flexibiliseren. Van der Heijden: “De weerstand tegen de ontslagprocedure via het arbeidsbureau is eind jaren zeventig, begin jaren tachtig ingezet. Tijdens de economische recessie die toen heerste, wilden veel bedrijven hun personeelsbestand in korte tijd afstemmen op de ingekrompen orderportefeuilles. Het arbeidsbureau gaf echter pas na maanden ontslagvergunningen af - als ze dat al deden - terwijl de overtollige werknemers bovendien pas na hun opzegtermijn, die een half jaar kon duren, werkelijk waren vertrokken. En daarmee was het soms nog niet afgelopen, want als de ontslagen werknemer recht meende te hebben op een schadevergoeding volgde alsnog een procedure voor de kantonrechter.”

Door het arbeidscontract door de kantonrechter te laten ontbinden kan de eventuele schadevergoeding in dezelfde zitting geregeld worden. Hoeveel geld een ontslagen werknemer meekrijgt, kan de kantonrechter zelf bepalen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk - volgens Van der Heijden nog een reden waarom werkgevers tegenwoordig graag direct naar de kantonrechter stappen. Algemene maatstaven zijn er niet, al is er in de loop der jaren wel een soort 'kantonrechtersnorm' ontstaan: één maand salaris voor ieder gewerkt dienstjaar en bijvoorbeeld een maand extra voor ieder jaar dat de werknemer ouder is dan 40 jaar.

Aan die norm houdt lang niet iedere kantonrechter zich: uit een artikel dat de Rotterdamse advocaat mr. C.G. Scholtens vorig jaar schreef voor het blad Trema, bestemd voor de rechterlijke macht, blijkt dat de door de kantonrechters toegekende schadevergoedingen sterk uiteen lopen, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met leeftijd en duur van het dienstverband. Scholtens trof bijvoorbeeld in de gepubliceerde ontbindingen die betrekking hadden op werknemers van 55 tot 62 jaar oud schadevergoedingen aan van nog geen halve maand per dienstjaar, maar ook van bijna 24 maanden per dienstjaar.

In theorie stelt de kantonrechter de eventuele schadevergoeding vast, maar in de praktijk hebben bedrijf en werknemer hierover meestal onderling al een afspraak gemaakt. Dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomt en de toekenning van de bijbehorende schadevergoeding dan pro forma nog door de kantonrechter bevestigd wordt, is bedoeld om de WW-uitkering voor de ontslagen werknemer veilig te stellen. Zou deze namelijk direct akkoord gaan met ontslag, dan beschouwt de bedrijfsvereniging de werkloosheid als 'verwijtbaar' en kan hij gekort worden op zijn uitkering. Van der Heijden schat dat 50 tot 70 procent van de ontbindingen via de kantonrechter pro forma-zaken betreft.

De enorme toevloed van pro forma-zaken heeft er toe geleid dat veel kantonrechters in dergelijke gevallen (waarbij werkgever en werknemer al tot overeenstemming zijn gekomen over het ontslag) niet eens meer overgaan tot een mondelinge bespreking van de zaak en eenvoudigweg een stempel zetten onder de formele ontbinding. Niet alle kantonrechters zijn echter even gelukkig met de 'degradatie tot stempelkussen', zoals een advocate het omschrijft. Het heeft er volgens haar toe geleid dat een zelfde soort ontbinding, die bij het ene kantongerecht schriftelijk kan worden afgehandeld, bij het andere kantongerecht mondeling door het bedrijf moet worden verdedigd - en dan nog met wisselend succes.

Voor werkgevers is het daarom zaak te trachten hun verzoeken tot ontbinding bij het meest meegaande kantongerecht in te dienen. Daarbij kunnen zij gebruik maken van de ruimte die de wet biedt: een verzoek tot ontbinding kan aangevraagd worden in de woonplaats van de werknemer, in de plaats waar het hoofdkantoor van het bedrijf is gevestigd of in de plaats waar het betreffende personeelslid werkt. “Vooral grote bedrijven met veel vestigingen kunnen op die manier creatief shoppen”, aldus de advocate.

Bij het Rotterdamse kantongerecht zijn werkgevers die op zoek zijn naar de gemakkelijkste weg niet goed af. In dit kantongerecht houdt men namelijk vast aan het uitgangspunt dat een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomt een mondelinge behandeling behoeft, al zijn uitzonderingen wel mogelijk. “Een mondelinge behandeling biedt de kantonrechter bij uitstek de kans om het verhaal rechtstreeks van de betrokkenen te horen. Zo heeft de wetgever het ook bedoeld”, zegt de Rotterdamse kantonrechter mr. J.M.L. Pompe. Zijn collega, mr. W.J.J. Wetzels, vroeger werkzaam bij de afdeling rechtskundige hulp van het FNV, valt hem daarin bij: “Vaak zijn de verzoekschriften betrekkelijk summier. Dan is het toch vreemd als een rechter alleen daarop zijn uitspraak baseert”. Dat sommige collega-rechters pro forma zaken schriftelijk afdoen, hoort Wetzels ook om zich heen. Hij bevestigt dat daarbij het gevaar bestaat dat werknemers door hun baas op de een of andere manier onder druk zijn gezet om in te stemmen met ontslag. “Voor ons is dat ook juist de reden om mensen in persoon te laten komen”. Beide kantonrechters bevestigen wel dat de toenemende werkdruk het moeilijk maakt om steeds een mondelinge behandeling te laten plaatsvinden. Alleen al in de regio Rotterdam kregen de veertien kantonrechters vorig jaar 2454 verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnen. In 1991 waren dat er nog 903. “Als deze stijging doorzet, moet er iets gebeuren”, aldus Wetzels.

Ook advocaten zijn niet allemaal onverdeeld gelukkig met de stroom van verzoeken van werkgevers tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst via de kantonrechter. “Het levert wel veel werk op, maar het is op zich natuurlijk te gek voor woorden dat al die rituele dansen in de vorm van formele procedures nodig zijn”, zegt mr. H.S. Snijders van het Rotterdamse advocatenkantoor Van Anken Knüppe Damstra.

Vormt het kantongerecht nu voor werkgevers nog een vluchtweg, als het aan minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) ligt, zal dat in de toekomst niet meer nodig zijn. In de adviesaanvraag die op dit moment bij de Sociaal-Economische Raad in behandeling is, pleit De Vries er voor om werkgevers het recht te geven de arbeidsverhouding éénzijdig te doen beëindigen. De werkgever moet het ontslag wel baseren op 'redelijke gronden'. Hoe die redelijkheid beoordeeld moet worden is nog niet duidelijk, maar grofweg zal een een tweedeling gemaakt worden tussen bedrijfseconomische redenen en redenen die te maken hebben met het persoonlijk functioneren van de werknemer. Voor de 'redelijkheidstoetsing van ontslag door de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening' - beter bekend als de preventieve toets - is volgens De Vries in dit nieuwe systeem van civielrechterlijke ontslagbescherming geen plaats meer.

Gaat een werknemer niet akkoord met het ontslag of denkt hij recht te hebben op een schadevergoeding, dan zou hij in het nieuwe systeem dat De Vries voorstaat het ontslag 'op redelijkheid' kunnen laten toetsen door de kantonrechter. Alleen (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten zouden pas ontslagen kunnen worden met een vergunning van de bedrijfsvereniging.

De Vries verwacht dat het (gefaseerd) afschaffen van de preventieve toets door het arbeidsbureau het ontslagrecht overzichtelijker zal maken. Als werkgevers makkelijker van hun personeel af kunnen komen, zullen zij ook sneller mensen aannemen, zo redeneert het ministerie. Bovendien zal de werkdruk op de arbeidsbureaus hierdoor verminderen, al onderkent men wel dat een deel hiervan zal verschuiven naar de kantonrechters. Hoeveel zaken er in dit nieuwe systeem uiteindelijk nog voor de kantonrechter zullen komen, kan niemand voorspellen. Eén van de belangrijkste factoren daarbij is de opstelling van de bedrijfsverenigingen: “De kans bestaat dat zij aan een WW-uitkering de eis gaan verbinden dat werknemers via de kantonrechter bezwaar aan moeten tekenen tegen hun ontslag”, zegt advocaat Snijders. “En dan is het hek natuurlijk van de dam”.

    • Marcella Breedeveld