Jack

In die tijd werd hijzelf met zijn hart geconfronteerd. Hij in het ziekenhuis, Jan op zijn sterfbed. En dan belden ze met elkaar. Wie bij wie op de begrafenis zou komen en zo.

Jack is 51 en tekstschrijver. Hij kende Jan van de Vara. Van collega's werden ze vrienden, altijd verwikkeld in een goedmoedig soort competitie: de een handiger met de pen, de ander beter als vormgever.

Hij zegt: “Verdriet kan ik niet hanteren. Verdriet is een vorm van overgave en dat kan ik niet. Ik ben opstandig, ik wil God zijn, de baas van de wereld. Het liefst zou ik zelf uitmaken wie wanneer doodgaat.”

En: “Jan is lang een gekwelde nicht geweest. En het was zo'n goeierd! En nou was alles in orde en toen ging hij dood. Van mij had-ie een heel stuk blessuretijd gekregen.”

En: “Ik wist niks van ziekte of dood. In feite heb ik enorm met Jan gemazzeld. Hij hielp me over de schrik heen. Mijn cardioloog begon alles twee keer uit te leggen _ die dacht dat ik er de ernst niet van inzag.”

En: “Samen hebben we de dood ontmaskerd als een zielig oud mannetje dat op de gang op zijn kans staat te wachten. Hij kan je halen, oke, maar hij krijgt het niet voor elkaar dat we bang voor 'm zijn. Het had iets bezwerends, kwajongensachtigs. We hebben je wel gezien hoor, kom maar te voorschijn!” Hij zegt: “Fluitende kinderen in het donker waren we.”

    • Koos van Zomeren