Het verdronken land; Een supermeer voor Groningen

De hereboeren, eens machtig en onaantastbaar, moeten vechten voor hun bestaan. Op medelijden hoeven zij niet te rekenen, daarvoor voerden zij een te hard beleid. De wrok over het verleden is nog voelbaar in Oost-Groningen, een regio die kampt met vergrijzing en hoge werkloosheid. Maar de overheid biedt soelaas met de aanleg van De Blauwe Stad, een supermeer dat de streek 'uitstraling' moet geven. Niet iedereen is overtuigd: 'De enigen die er beter van worden zijn de rijken.'' Van stille gronden naar diepe wateren: 'Beerta am See'.

In het oosten van Groningen liet het leefklimaat bij het begin van de jaartelling te wensen over. De Romein Plinius signaleerde er een 'ongelukkig volk' dat onder barre omstandigheden verkeerde. Hutten op zelf opgeworpen heuvels dienden de mensen tot onderdak. 'Wanneer de zee het land overstroomt, lijken ze op zeevaarders'', schreef Plinius.

Later werd de situatie geleidelijk aan beter. Na verloop van tijd telde de streek 4 kloosters en 33 dorpen met een behoorlijk welvaartspeil. Ondanks vele twisten, waarbij vooral de Vetkopers van leer trokken, bleef het water de belangrijkste bedreiging. Overstromingen volgden elkaar op en rond 1525 was het grootste deel van het land langs de Eems door de golven verzwolgen. Zo ontstond de Dollard, een inham van de zee die de eeuwen erna een deel van zijn terrein weer prijs moest geven.

Het laatste stuk kleigrond dat op het water werd heroverd was in 1924 de Carel Coenraadpolder. Aan de rand daarvan ligt Hongerige Wolf, een naam die herinnert aan ongure polderhonden die hier volgens verhalen leefden. De buurtschap bestaat uit omgeploegde akkers, enkele verre boerderijen en een fors, vierkant huis naast een kruispunt van rechte wegen. Welke weg de juiste is, valt niet te achterhalen. Een deur van het huis staat uitnodigend open, maar herhaald aanbellen sorteert geen effect. Lange tijd is er niets dat de stilte verstoort: de wind is gaan liggen, de zon schijnt boven de verlaten velden, in de verte cirkelt een buizerd. Op een winterse middag lijkt de wereld hier vredig en harmonieus.

Veel boeren in de omtrek zien het anders. 'Ons wacht een drama, een waar drama'', stelt Derk Barlagen (61), een telg uit een befaamd geslacht van Groningse hereboeren. Rondlopend door de woonkamer van zijn boerderij bij Nieuwolda maakt hij een vermoeide indruk. Deze dag gaat het wel weer, vindt hijzelf, maar de laatste tijd werd het hem allemaal te veel. De wetenschap dat de landbouw voor een catastrofe staat, maakte hem moedeloos. 'Het is ook verschrikkelijk om te zien wat er gebeurt. De koers die is uitgezet leidt tot een ramp, langzaam maar zeker verzanden we opnieuw in de ellende van de jaren dertig. Onze ouders wisten wat dat betekende: een kilo graan bracht bijna niets meer op, elke dag verkeerden ze in spanning of de bank het krediet zou opzeggen. Een halve eeuw later herhaalt de geschiedenis zich, de visie ontbreekt om alsnog de koers te wijzigen. Het ligt voor de hand te kiezen voor produktiebeperking en prijsstijging, maar dat besluit wordt niet genomen. In plaats daarvan beperkt men zicht tot pappen en nathouden, een beleid dat op zijn best de ondergang vertraagt.''

In Oost-Groningen is het rendement van de landbouw de laatste jaren steeds minder geworden. Voor 'het Oldambt', zoals het gebied bekend staat, betekent dit een verdere ondermijning van de toch al slechte economische situatie. Om het tij te keren acht de overheid nu de tijd rijp voor een drastische ingreep. Een 'stuurgroep' bestaande uit vertegenwoordigers van provincie, WVC en gemeenten stelde daartoe een ambitieus ontwikkelingsplan op. Uitgangspunt daarvan is De Blauwe Stad: een boven Winschoten aan te leggen meer van ruim 800 hectare, omringd door natuurterreinen, 'duurzaam bos' en een stedelijke ring. Als alles goed gaat moeten de werkzaamheden, die 550 miljoen gulden vergen, over twee jaar beginnen.

Volgens de plannenmakers zal het project de regio een krachtige impuls geven, maar Derk Barlagen heeft daar weinig vertrouwen in. Naar zijn idee betreft het hier een afleidingsmanoeuvre, 'een doekje voor het bloeden' dat de bevolking gerust moet stellen. Zijn collega's denken volgens hem net zo, maar zekerheid daarover heeft hij niet. 'Onderling is er weinig contact, veel boeren hier leiden een geïsoleerd bestaan. Sommigen zijn lamgeslagen door de druk waaronder zij leven, anderen verkeren in een toestand van stress. Van eenheid is geen sprake, ook niet als het gaat om de eigen belangen. Op een vergadering heb ik nog geprobeerd ze op één lijn te krijgen, maar het is me niet gelukt. Ieder vecht op zijn eigen manier door, ieder gaat zo lang mogelijk zijn eigen weg. Dat is kortzichtig, maar ook wel begrijpelijk: nu de machtspositie en het aanzien van vroeger verloren zijn gegaan, probeert men het zelfrespect te behouden. Maar de gekrenkte trots valt moeilijk te maskeren.''

Zelf heeft hij zich tijdig aan de nieuwe omstandigheden aangepast. Om dit duidelijk te maken liet hij twaalf jaar geleden het ouderlijk huis naast zijn boerderij afbreken en vervangen door een minder kapitaal pand. 'Ik vond het niet passend om nog in zo'n kasteel te wonen'', zegt Barlagen, voor zich uit starend. 'Die pompeuze huizen herinneren aan een tijdperk dat voorbij is. We moeten ons aanpassen.'' Ter illustratie wijst hij op zijn boomgaard, een terrein van tien hectare waar een bevriende boer doende is de appelbomen te rooien. 'Daarvoor geldt hetzelfde: fruit levert vandaag de dag niets meer op, dus moet je wel kappen. Zo komt aan alles een eind. Het liefst zou ik er helemaal mee ophouden en rust nemen, maar dat is makkelijk gezegd. Hoe vind ik in deze tijd een opvolger?''

Voor die vraag zien boeren in de omgeving zich nog niet gesteld. De nieuwe boerderij die Wim Huisman westelijk van Hongerige Wolf liet bouwen, getuigt van vertrouwen in de toekomst. Zijn bezit nam sinds 1970 toe van 60 tot 152 hectare; daarnaast beschikt hij over 100 hectare (deels gepachte) kwelder- en dijkgrond. 'Je moet groeien'', zegt Huisman, een vierde generatie hereboer.

'Als dat niet was gebeurd, had mijn zoon geen boer kunnen worden. Maar het zijn moeilijke tijden, we hopen maar dat we het redden. Met alleen granen lukt het niet meer, iedereen doet er tegenwoordig iets bij. Wij kozen voor schapen, maar er zijn er ook die een deel van de tijd werken als postbode, buschauffeur of advocaat. Anderen gaan aan de gang met varkens of kippen, maar als je daar niks mee hebt is dat moeilijk. Met hen gaat het als met sommige kantoormensen die moeten overschakelen op computers: ze belanden in de ziektewet.''

Akkerbouwer Evers in Drieborg, met zijn broer eigenaar van 160 hectare, beperkt zich nog voornamelijk tot graan. 'Tot nu toe gaat het nog, maar net als veel anderen hou ik mijn hart vast. De prijzen zakken onderuit en de lasten worden zwaarder, reserves om een financiële klap op te vangen zijn er niet meer. Als het zo doorgaat verpaupert de streek verder en lopen de dorpen leeg. Drieborg vormt nog een gunstige uitzondering, maar ook hier is de middenstand verdwenen: de bakker, de twee kruideniers, de groenteboer, de winkel van sinkel, de kapper, de kroeg, de smid, de stelmaker die de wagens repareerde - ze zijn allemaal weg. Ook het postkantoor en de brandweerpost bestaan niet meer. Nu wordt zelfs de busdienst opgedoekt. Soms vraag je je af waar het moet eindigen.''

Het Oldambt staat te boek als een van de sociaal-economisch zwakste gebieden van Nederland. Volgens recente cijfers is meer dan de helft van de huishoudens afhankelijk van een uitkering en vindt dertig procent van de werkzoekenden geen baan. De meeste jongeren vertrekken dan ook naar elders, waardoor het inwonertal terugliep tot 60.000 en Oost-Groningen nu de meest vergrijsde regio is van het land. De Blauwe Stad, een project dat voortkwam uit Verbeeldingsplannen van drie ontwerpbureaus, moet de streek een krachtige injectie geven. Het oorspronkelijke plan uit 1992 ging uit van de aanleg van een watersportgebied van 3.300 hectare: een 'supermeer' met jachthavens, campings en bungalows, waar op hoogtijdagen 8.500 toeristen werden verwacht. Per jaar rekende men op 700.000 overnachtingen, een aantal dat zou leiden tot een omzet van 50 miljoen gulden. Ondanks dit alles hechtten de initiatiefnemers veel waarde aan privacy en rust. Met het oog daarop zou er een 'archipel' komen met honderd privé-eilandjes voor bemiddelde 40-plussers, een 'min of meer elitaire doelgroep' die de weg moest effenen voor de overige recreanten.

Hoewel in dit plan de verbeelding aan de macht was, toonden velen zich geschokt: de gedachte dat na drie eeuwen inpoldering het land onder water werd gezet, bleek moeilijk te bevatten. Sie wil'n ons verzoep'n, werd er gezegd. Ook de Nieuwe Communistische Partij Nederland (NCPN), de leidende politieke macht rond Finsterwolde, reageerde negatief. Het absurde project biedt geen oplossing voor de massa-ontslagen in deze streek, zo werd vastgesteld. Met nadruk keerde de partij zich tegen het paaien van kapitaalkrachtige waterliefhebbers, in het Oldambt gemakshalve aangeduid als rijke Duitsers uit het Ruhrgebied.

In het inmiddels versoberde plan komt de gewraakte archipel niet meer voor. 'Die elite-eilandjes wekten in dit land van gestaalde kaders veel weerstand'', aldus PvdA-gedeputeerde Beukema, wegbereider voor het ook wel als Beukemameer aangeduide project. 'Gezien de historie associeert men hier zoiets al gauw met de huizen van rijke boeren. Met zulke sentimenten moet je heel voorzichtig zijn.'' Volgens het zojuist aanvaarde voorstel wordt het meer voorlopig niet groter dan circa 800 hectare, omringd door een ruim tweemaal zo groot gebied bestaande uit deels 'nieuwe natuur' (Het Groene Land). 'Het ambitieniveau is verlaagd'', geeft Beukema toe. 'Toch is het geheel zo omvangrijk dat het gebied naar ons idee een andere uitstraling kan krijgen.''

De afdeling Groningen van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen kent wat dit betreft geen twijfel. Het verbond gaat uit van een toename van de quality of life en een upgrading van de regio die, zo voorzien de ondernemers, een 'dynamisch imago' krijgt. De Stuurgroep die het project voorbereidt verwacht bovendien veel heil van het 'eco-toerisme', naar haar idee een trendsetter. Maar niet iedereen blijkt zo enthousiast. Op een inspraakavond werd het onder water zetten van vruchtbaar land aangemerkt als een doodzonde. Ook het planten van 'permanent bos' stuitte op bezwaren: 'We verstikken als we niet in de verte kunnen zien'', merkte iemand op. De meeste bezwaren betreffen echter het geringe effect op de werkgelegenheid, dat volgens de prognoses slechts met 300 arbeidsplaatsen zal toenemen. 'De enigen die beter worden van De Blauwe Stad zijn de rijken'', zegt een inwoner van Nieuw Beerta. 'Er verandert hier niets.''

De tegenstellingen van weleer drukken nog altijd een stempel op het leven in het Oldambt. 'De wrok over de ellende van vroeger werkt na, er gaan generaties overheen voor men is vergeten hoe slecht de landarbeiders het hadden'', zegt de vrouw van boer Evers. 'De afstand tussen de mensen in het dorp en de boeren blijft daardoor groot. Leuk is dat niet: soms word je uitgescholden en als je je omdraait krijg je een schop na.'' Wim Huisman: 'De bevolking voelt zich nog steeds tegenover de hereboer staan. Dat beeld van de gemeenschappelijke vijand wordt bewust in stand gehouden.''

Nog maar weinigen weten dat de onderlinge verhoudingen ooit uitstekend waren. In de 17de en 18de eeuw trokken boeren en arbeiders een front tegen de rijke nieuwkomers uit de stad: vrijzinnige 'hoge heren' die volgens de Oldambsters te veel macht in de streek kregen. Geleidelijk aan wisten de oorspronkelijke bewoners hun positie echter te verstevigen. Nieuwe landbouwmethoden leidden tot een stijging van de welvaart, waarin de boeren hun arbeiders ruimhartig lieten delen. Het liberalisme van de vorige eeuw maakte aan deze sfeer van harmonie een eind. Naarmate de boerderijen groter en mooier werden, groeiden beide partijen meer uiteen. Na verloop van tijd was de tegenstelling tussen boer en knecht 'buiten alle proporties', schrijft O.S. Knottnerus in Anders dan elders, een boek over dit gebied met foto's van Ton Broekhuis. Zo ontstond een kloof die tot op vandaag voor verbittering zorgt.

'De uitbuiting was hier verschrikkelijk'', stelt Koert Stek (67) meer dan eens. 'Van mijn ouders weet ik dat de arbeiders in erbarmelijke omstandigheden verkeerden. Zij waren de onderhorigen, de slaven van de baas. Zelf deed de boer niets: met zijn duimen achter zijn vest liep hij een beetje rond en soms staarde hij, de pijp in de mond, met zijn verrekijker naar het personeel op het veld. De één was bruter dan de ander, maar verder waren de verschillen niet groot: je had alleen slechte boeren en hele slechte boeren, van een menselijke boer heb ik nooit gehoord. Een knecht die 's winters tijdens de schaft niet in de kou wilde staan, kon achter de koeien kruipen.''

De woede over de wantoestanden vond aan het eind van de jaren twintig een uitweg in een staking van landarbeiders. Ter herinnering daaraan staat op de begraafplaats van Finsterwolde een zuil met de tekst: Het smart'lek offer hier gebracht/ zal als een bitt're naklank blijven/ aan 't loongeding als droeve klacht/ ten allen tijde geboekstaafd blijven. Onder leiding van Barlagens grootvader zorgden de boeren voor een tegenactie, maar zij konden niet voorkomen dat een loonsverhoging van 2 cent per uur werd toegekend. Desondanks werden de arbeidsomstandigheden er niet beter op. 'Arbeiders leefden in bittere armoe en als zij ziek werden hadden ze pech gehad'', zegt Stek. 'Een opleiding was voor die mensen overbodig. Jongens die op school niet overgingen, kregen van de boer als beloning een dubbeltje. Iemand die had geleerd was alleen maar lastig, een arbeider moest gewoon doen wat hem werd gezegd.''

Toch waren er hereboeren die na de oorlog een andere houding innamen. Derk Barlagen vertelt dat hij in 1953, het jaar dat hij kwam werken op de boerderij van zijn vader, een 'fantastische relatie' opbouwde met de vijf werknemers. 'We waren toen eindeloos bezig met het wieden van distels, kweekgras, wilde haver, duist, gele kiek en allerlei ander onkruid. Een stadsmens heeft er geen idee van hoeveel strijd dat oplevert, maar al doende voerden we hele gesprekken. 'Lezen jullie nou ook 's een beetje de krant', zei ik, 'dan komen we dichter tot elkaar'. Een vader van een knecht deed daar bij mijn ouders zijn beklag over, maar later zag hij in waar het me om ging: ik wilde niet de baas zijn van die knapen maar hun kameraad. Ik ben dankbaar dat dit me is gelukt.''

Op deze manier kwam het meer dan eens tot een verzoening tussen boer en arbeider, meent Barlagen. Toch waren veel collega's er niet rouwig om, geeft hij toe, dat zij op een gegeven ogenblik het personeel naar huis konden sturen: 'Eindelijk voelden zij zich vrij, opeens waren ze niet meer afhankelijk van werknemers die vlak voor de oogst loonsverhoging eisten. Dank zij de mechanisatie werden zij van dat machtsmisbruik verlost.''

De ontslagen arbeiders zochten werk in de strokartonfabriek of werden omgeschoold voor beroepen als metselaar of metaalbewerker. Maar niet iedereen vond emplooi. 'Wat dat betreft is het hier altijd moeilijk geweest'', weet Koert Stek. 'In het kader van de werkverschaffing heb ik, samen met een paar honderd anderen, ooit nog greppels gegraven in de slikken achter de dijk. Je waadde door de modder, hing je jas en broodtas aan een stok en daarna was het scheppen tot de vloed kwam; urenlang kwam je niet van het been af. Later moest ik helpen met het draineren van terreinen, een karwei waarbij we geen machines mochten gebruiken. Ook dat was zwaar werk, maar altijd nog beter dan afhankelijk te zijn van boeren die je afbeulen. Nu zitten zij in de ellende, wordt er gezegd, maar medelijden hebben we niet. De meeste mensen hier kunnen moeilijk vergeten wat hun ouders is aangedaan. Een boer blijft een boer, zeggen ze.''

Dergelijke reacties geven aan wat kenners van het gebied beschouwen als het robuuste, eigenzinnige karakter van de Oldambsters. Dit gaat volgens hen gepaard met een hardnekkig negativisme waarvoor De Blauwe Stad in combinatie met Het Groene Land, naar de beleidsmakers hopen, een noodzakelijk tegenwicht kan vormen. De verwachtingen over het miljoenenproject zijn inmiddels hooggespannen, maar in sommige kringen is de scepsis groot. 'Als dat natuurgebied er komt, kunnen de boeren in wijde omtrek maar het beste een strop pakken en zich ophangen'', meent de landbouwer die bij Derk Barlagen de appelbomen omzaagt. 'Al dat groen trekt eenden, ganzen, kraaien, duiven en ander ongedierte aan. Ook krijg je een enorme overlast van herten.'' Daar komt nog bij, voegt Barlagen eraan toe, dat het in Winschoten door al dat water anderhalve graad kouder wordt.

Engel Modderman, een vertegenwoordiger van de Nieuwe Communistische Partij, is er niet op tegen 'het avontuur' aan te gaan. Anderen in de partij zien daar geen heil in: naar hun idee heeft het geen nut om 'plompverloren in het Groningse landschap' een grote plas aan te leggen. 'Ook in zijn aangepaste vorm leidt dit plan tot een verkwanseling van goede grond'', vindt Jan Bakema. 'Het enige resultaat is maatschappelijke ontwrichting, iets waar de bevolking het gelag voor moet betalen. Ook met zo'n groot meer hebben kapitaalkrachtigen hier niets te zoeken, het Oldambt is tenslotte geen Aruba.''

Gedeputeerde Beukema blijft niettemin positief gestemd. 'Voor de leefbaarheid van dit gebied is De Blauwe Stad van groot belang'', verzekert hij. 'Met de aanleg ervan kunnen we de negatieve spiraal doorbreken en, wie weet, de bevolking prikkelen. Nu staat men hier nog met de rug naar de toekomst.''

    • Paul Hellmann