Het late gelijk van J. van den Vondel

AMSTERDAM, 12 MAART. “Vondel heeft toch gelijk gehad”, zegt wethouder Ernst Bakker terwijl hij Jan Baart feliciteert aan de rand van een bouwput achter de Nieuwzijds Kolk. Even tevoren heeft de stadsarcheoloog daar, hartje Amsterdam, zeven meter bakstenen muur uit de dertiende eeuw onthuld. Het is, naar Baarts stellige overtuiging, de westelijke muur van het kasteel van de Heren van Amstel. En dat was drie eeuwen eerder ook de mening van dichter Joost van den Vondel.

In het treurspel 'Gijsbrecht van Aemstel' (1673) situeert Vondel de door Kennemers en Waterlanders belegerde en 'benauwde veste' van de heer van Amstel in Amsterdam, aan het IJ. Het toneelstuk toont de laatste machtsoprisping van de heren van Amstel in 1303. Gijsbrecht is in 1296 zijn goederen en status kwijtgeraakt omdat hij medeplichtig was aan de moord op graaf Floris V van Holland. Later keert hij terug naar zijn stad, die na een jaar lang belegeren wordt ingenomen door de graafgezinde Kennemers en Waterlanders.

Vondel heeft voor zijn stuk aantoonbaar de historische feiten naar zijn hand gezet. Zo was de burchtheer van Amstel in 1303 niet Gijsbrecht, maar Jan. En “tot voor een paar weken”, zegt Baart nu vol trots, dachten de historici dat Vondel zich ook vergist had in de plaats van de burcht. Sinds het eind van de negentiende eeuw wordt een kasteel van Amstel gezocht in Ouderkerk, even ten zuiden van Amsterdam, onder de joods-Portugese begraafplaats aldaar. In Ouderkerk vindt namelijk de familie van Amstel haar oorsprong en daar stond haar parochiekerk.

De heren van Amstel waren plaatselijke machthebbers die dachten te kunnen profiteren van de machtstrijd tussen de bisschop van Utrecht en de snel machtiger wordende graven van Holland. In 1296 sloot Gijsbrecht IV zich aan bij een verbond van lokale edelen die de sterke graaf Floris V wilden ontvoeren. De tussenkomst van boeren dreigde de ontvoering te verijdelen en Floris werd vermoord.

Met de 1,85 dikke fundering, waar de stadsarcheologische dienst van Amsterdam, tweeënhalve week geleden op stuitte, denkt Baart Vondel te hebben gerehabiliteerd. De rechthoekige burcht, hooguit 20 bij 20 meter, zou op een landtongetje in het IJ hebben gestaan, vlak ten zuiden van de huidige Nieuwendijk - toen een dijk van de Amstel. Bovendien hebben “wij er honderd jaar stadsgeschiedenis bijgekregen”, zo zei Baart gistermiddag tegen wethouder Bakker. De eerste schriftelijke vermelding van Amsterdam dateert immers van 1275. Dat de fundering uit de dertiende eeuw is, maakt Baart vooral op uit het aardewerk dat in de omgeving is gevonden.

Prof. dr. P.A. Henderikx van de vakgroep middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam sluit niet uit dat Baart gelijk heeft, al is de stadsarcheoloog volgens hem wel erg gretig als het erom gaat “honderd jaar stadsgeschiedenis” toe te voegen. “Een beetje frustratie ten opzichte van Utrecht”, denkt Henderikx, “waar men niet opkijkt van vondsten uit de achtste en negende eeuw.”

Zekerheid omtrent het verleden van deze rij gemetselde bakstenen zal langer op zich laten wachten dan die over de toekomst ervan. De put waar Baart zijn gang kon gaan, wacht op de bouw van het 'Kolkcomplex', een opeenstapeling van woningen, kantoren, winkels, een hotel en parkeergarage - neergezet door de ABN-AMRO bank. E. ten Voorde, projectmanager van de bank, heeft het graven nu wel lang genoeg geduurd. Hij wil bouwen. Baart heeft er al voor gepleit de muur uit te roepen tot archeologisch monument.