Gouden duo nu zelf het doelwit

Adrian Havill: Deep Truth. The Lives of Bob Woodward and Carl Bernstein 264 blz., geïll., Birch Lane 1993, ƒ 45,95

Sinds het Watergate-schandaal geldt het Amerikaanse verslaggeversduo Bob Woodward en Carl Bernstein als een journalistendroom. Twee jonge reporters van The Washington Post, die met hun onverzettelijke berichtgeving over de inbraak in het hoofdkantoor van de Democratische partij in juni 1972 de val van de Republikeinse president Richard Nixon inluidden. Toen Nixon twee jaar later, verstrikt in zijn eigen leugens, de handdoek in de ring wierp en aftrad om aan impeachment te ontkomen, was 'Woodstein' een begrip geworden. Het boek dat ze nog datzelfde jaar publiceerden over hun journalistieke speurtocht, All the President's Men, werd een bestseller, de gelijknamige bioscoopfilm - met hoofdrollen voor Robert Redford en Dustin Hoffman - een wereldwijd kassucces. Boek en film inspireerden een hele nieuwe generatie investigative reporters, allemaal op zoek naar corruptie en machtsmisbruik in overheidskringen. Geen wonder, want behalve een politiek drama van historische afmetingen was 'Watergate' ook een onweerstaanbaar jongensboek, met de unieke combinatie van ambachtelijkheid en avontuur die de journalistiek zijn aantrekkingskracht geven.

Twintig jaar later zijn Woodward en Bernstein niet meer onomstreden. Revisionistische auteurs, vaak afkomstig uit conservatieve hoek, hebben het aandeel van het gouden duo in de val van Richard Nixon gerelativeerd. De politieke vijanden van de Republikeinse president waren volgens hen in de gepolariseerde jaren zeventig zo talrijk dat zijn val na Watergate onvermijdelijk was geworden. Een stap verder gaan auteurs die 'Woodstein' ervan beschuldigen zich te hebben laten gebruiken door Nixons tegenstanders en met vermeend onthullende verslaggeving juist een veel subtieler complot tegen de president te hebben toegedekt. Zo'n onbedoeld ironische 'deconstructie' van Watergate valt te lezen in Silent Coup (1991), van Len Colodny en Robert Gettlin. Boosdoeners in hun vuistdikke boek zijn de militaire top in het Pentagon - die van Nixon af zou hebben gewild wegens zijn politiek van détente met de Sovjet-Unie en China - en de Witte Huis-advocaat John Dean, wiens vrouw betrokken zou zijn geweest bij een groep prostituées die diensten verleende aan hoge Democratische politici. Het boek werd door Bob Woodward afgedaan als een verzameling nonsens, maar de indruk dat het 'ware verhaal' van Watergate nog niet was verteld, bleef in de media lang hangen.

Twijfel aan Woodwards geloofwaardigheid - de in zijn latere leven minder succesvolle Bernstein bleef in de hele zaak op de achtergrond - was enkele jaren eerder al gezaaid door de controverse over zijn boek over de CIA, Veil (1987). In dat boek beschrijft hij een gesprek met CIA-directeur William Casey, waarin deze bekent op de hoogte te zijn geweest van het 'Iran-contra-schandaal'. Caseys familie ontkende bij hoog en laag dat het gesprek had plaatsgehad, de CIA-directeur zelf was inmiddels overleden. De onthullingsjournalist Woodward, inmiddels een gevierd en commercieel succesvol auteur, werd het lijdend voorwerp van een jaloersige speurtocht door collega's die zijn biografie en boeken begonnen na te pluizen op onopgehelderde vragen, zoals de identiteit van de fameuze Watergate-bron 'Deep Throat'. De investigative journalism had zich tegen zichzelf gekeerd.

Verdachtmakingen

Een rol in de nieuwe argwaan jegens Woodward en Bernstein speelde ook dat de belofte van 'Watergate' - een kritische pers als waakhond van de democratie - in de jaren tachtig niet leek te zijn ingelost. In affaires als 'Irangate', de CIA-inmenging in Nicaragua en het 'Saving and Loans'-schandaal kwam de pers maar traag op gang. Schandalen die wèl werden onthuld - zoals de buitenechtelijke relatie van de Democratische presidentskandidaat Gary Hart in 1986 - schoten grote delen van het publiek in het verkeerde keelgat. Moest de pers zich bemoeien met het seksleven van politici? Media-critici als Howard Kurtz en David Broder, beiden collega's van Woodward en Bernstein bij The Washington Post, begonnen alarm te slaan over de trivialisering die de geschreven pers in het televisie-tijdperk zou bedreigen. 'Grote delen van de pers neigen naar trivialisering van inhoudelijk nieuws, ten gunste van sensationele junk journalism'', schrijft Broder, veteraan-politiek verslaggever, nog deze maand in een opiniestuk voor The Washington Post. De tendens tot 'info-tainment' - informatie luchtigjes verpakt in sensatie en amusement - doet afbeuk aan de Amerikaanse traditie van verantwoordelijke community-journalism, aldus Broder, en vergroot alleen maar de argwaan van het publiek jegens de pers.

Hoeveel heeft in dit allengs cynischer persklimaat alle revisionistisch wapengekletter over Watergate nu opgeleverd? Onthullend weinig, eigenlijk. Een aanwijzing hóe weinig is wel dat de Watergate-zaak zelf er alleen maar ingewikkelder en onbegrijpelijker op is geworden. Het complot tegen Nixon dat Colodny en Gettlin in hun 507 pagina's tellende Silent Coup aannemelijk proberen te maken, is zo fantastisch dat het vooral op de lachspieren werkt. Complotten àchter complotten zijn natuurlijk altijd ingewikkeld maar wie dit labyrint nog wil doorlopen, doet er goed aan eerst een cursus Kremlinologie of conspiratologie voor gevorderden te volgen. Met de werkelijkheid van een inbraak om partijpolitieke redenen heeft het niets meer te maken. Dat John Dean, de lieveling van de Senaatscommissie die de Watergate-zaak tijdens hoorzittingen ontrafelde, zijn eigen rol onschuldiger heeft voorgesteld dan zij was, is niet onaannemelijk, maar dat hij eigenhandig een onschuldige Nixon in de criminele hoek zou hebben gedreven, wordt nergens in het boek hard gemaakt. Ook de kritiek op Woodward en Bernstein - die zich door het Pentagon en Dean zouden hebben laten gebruiken - blijft steken in dubbelzinnig indirect 'bewijs' en verdachtmakingen.

Rokkenjagerij

Dat geldt nog sterker voor de jongste telg aan de loot, het boek Deep Truth van Adrian Havill, de eerste dubbel-biografie van het journalistenduo. Het boek is zowel een uiting van de cynische desillusie over investigative journalism als een symptoom van de trend naar 'infotainment'. Havill, auteur van een eerdere biografie van de football-magnaat Jack Kent Cooke, wilde naar eigen zeggen niet meer dan de levens beschrijven van 'twee van mijn helden'', kondigt hij in zijn voorwoord aan. Wie het resultaat leest ziet 'Bob' en 'Carl', zoals ze in het boek consequent worden genoemd, al na enkele pagina's op hun voetstuk wankelen. De helden-biografie blijkt een chronique scandaleuse, waarin het venijn flinterdun onder de oppervlakte ligt en geen scabreus detail onvermeld blijft. Pagina's lang wijdt Havill - die zich bij gebrek aan eigen bronnen vooral baseert op de knipselmap - uit over de teloorgang van Carl Bernstein. In tegenstelling tot de workaholic Woodward kon Bernstein het momentum van zijn Watergate-succes niet vasthouden. Na mislukte baantjes bij ABC televisie en het weekblad Time in de jaren tachtig deed hij nog vooral van zich spreken in de Newyorkse roddelpers, met staaltjes van uit de hand gelopen disco-bezoek, alcoholmisbruik en rokkenjagerij. Een sleutelroman van zijn ex-vrouw Nora Ephron over haar mislukte huwelijk met de sterverslaggever werd verfilmd met Jack Nicholson in de rol van een erotomane en overspelige Bernstein - heel wat minder vleiend dan de Bernstein-vertolking van Dustin Hoffman tien jaar eerder. Pas in 1989 verscheen er weer een boek van Bernsteins hand, Loyalties, een autobiografische terugblik op zijn jeugd in een communistisch nest tijdens de McCarthy-jaren.

Woodward verging het beter. Met een feilloos gevoel voor de tijdgeest en geholpen door een verbluffend arsenaal aan hooggeplaatste bronnen produceerde hij naast zijn werk voor de krant de ene bestseller na de andere: een portret van het Hooggerechtshof (The Brethren, 1979), een biografie van de door drugsmisbruik overleden komiek John Belushi (Wired, 1984), onthullende boeken over de CIA (Veil, 1987) en de Golfoorlog (The Commanders, 1991). Maar ook Woodward kampte na Watergate met tegenslagen. Hij faalde begin jaren tachtig als adjunct-chef van het stadskatern van The Washington Post, waar hij bij zijn aantreden had verordonneerd dat zijn verslaggevers met 'holy shit-stories'' moesten komen, in het vak ook wel bekend als coffee-stoppers: verhalen die zo schokkend zijn dat de krantelezer er bij het ontbijt zijn koffie voor laat staan. Zo'n verhaal was het bloedstollende relaas van verslaggeefster Janet Cooke over een achtjarige heroïneverslaafde, 'Jimmy', in de zwarte achterbuurten van Washington. Woodward zette zich met hart en ziel in voor het verhaal, dat de voorpagina haalde en een Pulitzer Prize in de wacht sleepte. Toen werd het succes zuur: in Cooke's curriculum vitae doken leugens en onduidelijkheden op, collega's begonnen haar geloofwaardigheid in twijfel te trekken. Uiteindelijk bekende de prijswinnares in een nachtelijk kruisverhoor door Woodward en hoofdredacteur Ben Bardlee dat ze de reportage van begin tot eind had verzonnen. De Pulitzer prijs werd teruggegeven, de krant leed ernstig gezichtsverlies. Woodward schoof korte tijd later geruisloos door naar een andere, minder prominente functie bij de krant.

Plattelandsjongen

De ironie is moeilijk te missen: Woodward, de veteraan van Watergate die zichzelf bediende van een 'Deep Throat', verkeek zich op een verhaal dat eveneens was gebaseerd op anonieme bronnen. Toen de autoriteiten na publikatie druk op de krant uitoefenden om 'Jimmy's' ware identiteit te onthullen - om de jeugdige junkie te kunnen redden - koos hij in een reflex voor de onvoorwaardelijke steun die hijzelf tijdens Watergate van zijn superieuren had gekregen: bronnen werden niet prijsgegeven. Achteraf gaf hij toe de verkeerde keus te hebben gemaakt: compassie met het kind had moeten prevaleren boven de journalistieke noodzaak bronnen te beschermen.

Een blamage, dat zeker - maar één die alleen in een bevooroordeeld brein iets zegt over de betrouwbaarheid van Woodwards eigen verslaggeving. Daarvoor is meer nodig. In 'Deep Truth' wordt dan ook, evenals in Silent Coup, een malicieuze poging gedaan Woodward in diskrediet te brengen door zijn biografie bij te stellen. Colodny en Getlin tonen in hun boek aan dat Woodward door de jaren heen een al te romantisch beeld heeft gegeven van zijn eigen verleden. Hij had zichzelf afgeschilderd als de ultieme outsider, een eenvoudige plattelandsjongen uit het Mid-Westen zonder connecties in de grote wereld, die door hard werken en vasthoudendheid de top had bereikt. In feite was hij, zoon van een rechter en opgegroeid in het Republikeinse Wheaton, Illinois, van jongs af aan well connected, altijd eerder een insider dan een outsider. Tijdens zijn diensttijd bij de marine vervulde hij gevoelige functies in de inlichtingensfeer, die hijzelf achteraf afdeed als 'routineklusjes'. Ook diende hij een jaar lang in het Pentagon waar hij, volgens hooggeplaatste militairen die hem in die tijd meemaakten, als adviseur werkte voor onder anderen Al Haig, volgens Colodny en Gettlin de 'Deep Throat' uit zijn latere Watergate-verslaggeving. Hier zou dus de 'connectie' liggen tussen Woodward en de anti-Nixon krachten in het Pentagon. Maar de implicatie van deze 'Woodward-Haig connectie' - door zowel Woodward als Haig resoluut ontkend - blijft volstrekt in de lucht hangen. Het enige wat het leert over Woodwards verslaggeving is dat hij inderdaad hooggeplaatste bronnen had en, wie weet, dat Haig inderdaad Deep Throat was - al het andere is speculatie.

'Deep Truth' verandert daar niets aan. Havill erkent wijselijk over de Watergate-zaak zelf niets nieuws te kunnen melden en dat is gezien zijn gespitstheid op fouten en falen van 'Woodstein' een zoveelste teken dat op hun verslaggeving ondanks alles weinig tot niets valt af te dingen.

Maar wie de relevante feiten niet kan betwisten, kan altijd nog de details aanvallen - en dat doet Havill met pedante nauwgezetheid. 'Het regende niet die dag!'' juicht hij in gecursiveerde letters na raadpleging van meteorologische gegevens over een dag waarop Woodward en Bernstein in hun boek melding maken van een bui. Hij toont zich, even preuts als potsierlijk, bezorgd over het feit dat Woodward en Bernstein hun voeten soms wel erg nadrukkelijk tussen de deur plaatsten bij potentiële bronnen en zich 'mogelijk illegaal'' bedienden van geheime telefoon-archieven en vertrouwelijke lijsten met namen van leden van onderzoekscommissies. Een nogal curieus verwijt. Hoe wordt een journalist dan geacht een samenzwering op regeringsniveau te ontrafelen: even bellen met de voorlichtingsdienst?

Bloempot

In zijn speurtocht naar zulke 'onthullende' details gaat Havill geen zee te hoog. Hij bezocht Bob Woodwards oude flat in een Washingtons appartementencomplex - nummer 617 - waar de journalist volgens All the President's Men contact onderhield met 'Deep Throat' door een bloempot te verschuiven op zijn balkon. Geschokt constateert Havill dat vanaf de straat het balkon van nummer 617 helemaal niet te zien is. In de film All the Presidents Men blijkt Woodward verhuisd naar nummer 519 - waarvan het balkon wèl te zien is vanaf de straat. Een aardige vondst, maar valt daarmee de bodem uit het Watergate-verhaal? Hooguit levert het stof op voor een volgend post-Watergate boek, met als inzet de vraag: op welk nummer woonde Woodward echt, en wat moest 'Deep Throat' doen om die bloempot te zien? Had hij een hoogwerker nodig?

Havills conclusie luidt dat Woodward en Bernstein met details als het schuiven met de bloempot hun boek om commerciële redenen nog spannender hebben willen maken - waarmee ze volgens hem de wegbereiders zijn geworden voor de gewraakte 'infotainment'-cultuur in de media. Ook dat is een bizar verwijt aan het adres van met name Woodward, wiens stilistische zwakte volgens recensenten van zijn boeken juist is dat hij 'long on facts, but short on insight'' is. Voor een ereprijs in de trivialisering van de Amerikaanse journalistiek waar David Broder voor waarschuwt, komen Havill en zijn in talkshow-cadans geschreven biografie veel meer in aanmerking dan de twee verslaggevers wier reputatie hij in dit boek heeft proberen aan te tasten.

    • Sjoerd de Jong