De stijl van de oorlog

De militair-historicus John Keegan ziet de oorlog ruimer dan Clausewitz. Oorlog is niet de voortzetting van de politiek met andere middelen, maar is op een veel bredere manier met de cultuur verbonden. Keegan verwacht dat aan het oorlogsgeweld eens een eind zal komen, maar vermoedelijk is hier de wens de vader van de verwachting.

John Keegan: A History of Warfare 432 blz., Hutchinson 1993, ƒ 65,55

Wat willen we van een militair-historicus weten? Dat lijkt, nu de beoefening van de militaire geschiedenis ook in ons land een grote vlucht heeft genomen, een gerechtvaardigde vraag. Waarom, met welk doel en met welke vragen zou de belangstellende lezer een 'militaire geschiedenis' ter hand willen nemen? Wat zou hij er in aan moeten treffen? En wat onderscheidt de militair-historicus van de beoefenaren van de andere takken van de historische wetenschap? Is een studie van het 'militair-industrieel complex' militaire geschiedenis, of is het economische geschiedenis met een militair randje? Is een studie van het defensiebeleid militaire geschiedenis, of is het de voortzetting van de politieke geschiedschrijving met gebruik van andere middelen? Het lijken academische vragen. Dat zijn het niet, gezien de grote belangstelling voor het vak en de talrijke boeken die tegenwoordig over militaire geschiedenis worden gepubliceerd. Maar heeft de militair-historicus iets eigens te zeggen en iets speciaals te bieden?

Hoewel de Brit John Keegan - al twintig jaar een toonaangevend militair-historicus - deze vraag niet expliciet aan de orde stelt, valt uit zijn recente geschiedenis van de oorlogvoering af te leiden hoe hij erover denkt. Militaire geschiedenis gaat over het gevecht, over de strijd, over het slagveld, het spookachtige niemandsland tussen de strijdende partijen; het gaat over de vorm en de manier waarop oorlogen en militaire campagnes in het verleden zijn gevoerd en alles wat ter voorbereiding daarvan werd bedacht en georganiseerd: over de troepen en wapens waarmee ze werden uitgevochten; over de strategie en tactiek en over de logistiek en de administratie van de strijdende partijen. Het gaat ook over de militaire cultuur als aparte leefwereld, met zijn eigen mentaliteit en normen, te onderscheiden van de rest van de maatschappij. En over de invloed die de kortstondige of langdurige toepassing van geweld (en blootstelling eraan) op de mens kan hebben, over de verschrikking ervan, het onbeheerste en het corrumperende. En het gaat ook om de stijl van het geweld, de vormen waarin het zich voordeed, de ritualisering en de stilering van geweld.

Het zijn de thema's van zijn fascinerende boek in het kort bijeengezet. Het is een programma voor de militaire geschiedschrijving. De raison d'être van de militaire geschiedschrijving is het gevecht en alles wat er ter voorbereiding en afwikkeling bij komt kijken. Keegans nieuwste boek is, evenals zijn hele oeuvre tot nu toe, een gedreven poging om tot deze kern door te dringen. Dat hij daarbij de politieke, sociale, economische, culturele en psychologische dimensie van de oorlogvoering niet uit het oog verliest, spreekt voor hem vanzelf. Maar hij maakt er weinig woorden aan vuil - het is geen leerstuk.

Wel probeert hij uit alle macht de relatie tussen oorlogvoering en politiek los te koppelen, een verband dat door Clausewitz is gelegd en de status van een universeel geldig dogma heeft gekregen. Oorlog is niet de voortzetting van de politiek met gebruik van andere middelen, zo argumenteert Keegan, maar is op een veel bredere manier met de cultuur verbonden. Maar dan moeten we verder kijken dan naar Europa in de laatste eeuwen en oorlogvoering in andere culturen en historische tijdvakken bestuderen. Keegans argumentatie loopt in dit opzicht parallel aan die van de grote Israelische militair-historicus Martin van Creveld (The Transformation of War, The Free Press, 1991).

De relaties tussen militaire sterkte, wijze van oorlogvoering, economische macht en politieke structuur, waaraan tegenwoordig veel gewicht wordt gehecht, zijn overigens lang zo gemakkelijk niet te omschrijven. De samenhang is niet zo ondubbelzinnig en rechtstreeks als vaak wordt gesuggereerd. Ontwikkelingen op militair gebied, in legervorming, tactiek, logistiek, bewapening en wijze van oorlogvoering voltrokken zich in het verleden vaak opmerkelijk autonoom. Nederland in het begin van de zeventiende eeuw kan als voorbeeld gelden, of ook Pruisen in de achttiende, of Oostenrijk-Hongarije in de achttiende en negentiende eeuw. Keegan vindt dit alles belangrijk maar de kern van de zaak blijft: de geschiedenis van de vormen en manieren waarop geweld wordt toegepast en oorlog wordt gevoerd. Dit boek kan ons geheugen nog eens opfrissen als het gaat om het subject van de militaire geschiedenis.

Ook in ander opzicht is dit een boek om een voorbeeld aan te nemen. Het is zeer goed geschreven en het weet een alomvattende kijk op de geschiedenis van de oorlogvoering te combineren met een groot voorstellingsvermogen. Er zijn weinig militair-historici die zo boeiend schrijven en een duidelijke presentatie van de grote lijnen illustreren en verrijken met nieuwe inzichten, goed gekozen citaten en sprekende voorbeelden. En die bovendien met een persoonlijke, soms provocerende interpretatie voor den dag komen. Er gaat een enthousiasmerende werking uit van Keegans nieuwste boek, wat overigens ook geldt voor veel van zijn oudere werk. Maar misschien is het wel een te gemakkelijk gewonnen wedstrijd: een met verve geschreven boek dat niet lijkt op een in boekvorm gepresenteerde, omgevallen kaartenbak verschijnt niet dagelijks meer.

Oorlogvoering is volgens Keegan in de afgelopen vijfduizend jaar een diep ingesleten gewoonte van de mensheid geworden. Daarbij zijn vormen van beperking van het geweld door natuurlijke factoren en zelfbeperking door culturele factoren in toenemende mate overwonnen of overboord gezet. Vooral de 'Europese' manier van oorlogvoeren van de laatste vijf eeuwen, waarvan de wortels in het oude Griekenland liggen (zegt Keegan, in navolging van de oudheidshistoricus Victor Davis Hanson), heeft zich steeds meer gemanifesteerd als een onbeheerste en onbeheersbare vorm van geweldstoepassing met een dolgedraaide technologie, die het gezicht van de oorlog is gaan bepalen en de verbeelding is gaan beheersen.

De twintigste eeuw spant in Keegans visie de kroon wat betreft militarisering van de samenleving en industriële vernietiging van soldaten en burgers. De twee wereldoorlogen zijn de uitdrukking van destructieve tendensen in de Europese militaire traditie, in de zin dat ze gepaard gingen met een ongeëvenaarde verwoesting, dat ze gevoerd werden door miljoenen gewapende burgers verenigd in massa-legers (volgens de misleidende filosofie dat elke man een soldaat kan zijn en dat leger en strijd de man maken) en dat ze niet konden eindigen dan met de onvoorwaardelijke overgave en de totale vernedering en nederlaag van een van de strijdende partijen.

Dat is nog niet alles, want ook op een andere wijze werd bijgedragen tot de brutalisering en totalisering van de oorlog in de twintigste eeuw, namelijk door de bewapening en militarisering van 'onder op', van grote delen van de bevolking voor de guerrilla-oorlog. Deze vorm van oorlogvoering, tegenwoordig 'low-intensity conflict' genoemd (een welhaast nog groter eufemisme dan onze eigen 'politiële' of 'politionele actie'), ter onderscheiding van de traditie van de 'grande guerre', overtreft in meedogenloosheid en brutaliteit de laatste nog verre. Voorbeelden genoeg: de conflicten in Vietnam, Algerije, Indonesië en andere landen in Afrika en Azië tijdens de dekolonisatie en daarna.

Keegan windt geen doekjes om de werkelijkheid van deze oorlogvoering, die door haar meedogenloosheid de deelnemers corrumpeert. Er is geen reden om de oorlogvoering door 'partizanen' of 'vrijheidsstrijders' mooier voor te stellen dan zij is of te idealiseren. In dit verband citeert Keegan een dramatisch stuk uit de oorlogsmemoires van Milovan Djilas, over zijn deelnemen aan de door Tito geleide acties van de communistische partizanen in Joegoslavië tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarin Djilas zo eerlijk is te bekennen dat het voortdurende ongebreidelde geweld elke morele norm ondermijnde en een onmens van hem maakte: een ongewapende Duitser, die zich niet meer kon verdedigen, werd door Djilas in een handomdraai de keel afgesneden, een nodeloze en laffe handeling, maar beschouwd als de normaalste zaak van de wereld, terwijl werd rondverteld dat Djilas in een heldhaftig gevecht van man tegen man een Duitse soldaat had uitgeschakeld. Tot Djilas zelf in zijn memoires een eind aan dit verhaal maakte.

Ter onderscheiding van de 'Europese' manier van oorlogvoeren, beschrijft Keegan tal van uiteenlopende militaire culturen en tradities in andere werelddelen, in Azië, de Arabische wereld, onder primitieve volken (waarvan hij laat zien dat 'primitive warfare' minder primitief is dan we meestal denken en en passant in een vermakelijke aanval de culturele antropologie ervan beschuldigt dat zij, althans tot voor kort, oorlogvoering als object van studie zo veel mogelijk verkoos te negeren), en onder zulke uiteenlopende volken als de Azteken en de Zoeloe's. In een aantal gevallen laat Keegan zien dat er mechanismen werkzaam waren die leidden tot een beperking van de gevolgen van de oorlogvoering, bijvoorbeeld door het ontwijken van de beslissende slag, het niet tot het uiterste gaan tijdens het gevecht, het inkapselen en assimileren van binnenvallende vijanden, en dergelijke, mechanismen, die in de Europese oorlogvoering verdwenen. Daar was juist het zoeken en aangaan van de beslissende slag en het stand houden tot de dood een erezaak geworden.

Afgezien hiervan is Keegans boek ook een met vaart geschreven overzichtsgeschiedenis van de manieren waarop georganiseerd oorlog is gevoerd van de tijd van de Soemeriërs en Assyriërs af tot en met de twintigste eeuw. Hij behandelt de oorsprong van de vroegste fortificaties (zoals Jericho met zijn stadsmuur en gracht) en belegeringswerktuigen (behalve trompetten ook rammen, torens en katapulten), de invloed van de strijdwagen op de oorlogvoering onder de Assyriërs na 1700 voor Christus. Hij vervolgt het relaas met de 'cavalerie-revolutie' van de steppevolken in Azië en aan Europa's oostgrenzen, de ingrijpende veranderingen in de oorlogvoering door toedoen van de Griekse falanx met zijn bijbehorende ethiek van de open en beslissende slag als test van mannelijke moed en dramatische confrontatie tot de dood erop volgt, de Romeinse legioenen en hun strijdwijze en de Middeleeuwse ridder. Steeds staan de vechtwijze, het persoonlijke gedrag op het slagveld, de wapens, de logistiek en de mentaliteit centraal, en poogt hij te verklaren waarom veranderingen en transformaties zich op een bepaald moment en in een bepaalde vorm voordeden. Keegan stelt de zeventiende eeuw, de eeuw van de 'militaire revolutie', in een ander licht. Hij spreekt van de eeuw van het experiment, waarin chaos heerste en elke veldheer op zoek was naar de juiste combinatie van wapens, van piekeniers en musketiers, van infanterie, cavalerie en artillerie.

Keegans boek nodigt door zijn uitdagende karakter uit tot verdere studie en tegenspraak in veel opzichten. Zijn bête noire is Clausewitz. In Keegans visie kon Clausewitz - vastgebakken als hij zat aan het politieke model van de oorlogvoering in de Europese staten-anarchie van na 1648 - geen enkel begrip opbrengen voor andere vormen van oorlogvoering, die door andere dan interstatelijke factoren werden bepaald.

Het merkwaardige van het boek ligt besloten in het slotakkoord. Dat bevat niet alleen de wens dat de moderne oorlogvoering, zoals wij die in onze eeuw in al haar barbaarsheid hebben leren kennen, door de herontdekking van de zelfbeperking zal worden verzacht, maar ook de verwachting dat de oorlog uiteindelijk zal worden overwonnen en verdwijnen. Er is niets in Keegans boek dat een dergelijke conclusie ook maar enigszins rechtvaardigt. Er is daarentegen alles in de realiteit van vandaag, dat erop wijst dat zijn beeld van de brutalisering van de oorlogvoering en het wegvallen van de mechanismen van beperking en zelfbeperking zal voortgaan.

    • Jaap de Moor