De grabbelton van Oost-Europa

Eva Hoffman: Verdwijnen in de geschiedenis 416 blz., Bodoni 1994, vert. Pauline Moody (Exit into History 1993), ƒ 65,-

Oost-Europa is altijd heel ver weg geweest. Dat was zo tijdens de afgelopen vijf decennia, toen het met een IJzeren Gordijn van het Westen was afgesloten. Het is nog steeds zo dat het IJzeren Gordijn is gevallen en we ons eerst verbaasd, daarna verbijsterd, afvragen waarom volkeren elkaar opeens te lijf gaan met een wreedheid zoals we die in ex-Joegoslavië te zien hebben gekregen. Of met een maar met moeite in toom gehouden verbetenheid die spreekt uit de conflicten tussen Tsjechen en Slowaken, tussen Slowaken en Hongaren in Slowakije, tussen Hongaren en Roemenen in Hongarije, tussen Grieken en Albanezen in Albanië en ga zo maar door.

Ook in een verder gelegen verleden was Oost-Europa voor het Westen een andere wereld. Oost-Europa, schrijft Eva Hoffman in haar boek Verdwijnen in de geschiedenis, heeft altijd voldaan aan onze diepe behoefte aan dat 'andere' dat enerzijds kan worden geïdealiseerd als iets exotisch en dat aan de andere kant woest en bedreigend is. Toen Shakespeare over een sprookjesachtig, onbestaand land wilde schrijven, noemde hij het Illirië (dat ooit lag waar nu Albanië en Kosovo liggen) of voerde hij 'de kust van Bohemen' op, een onbestaande geografische entiteit.

Sinds de val van het communisme dringt dat 'andere' zich opeens op. Het 'ver weg' komt dichterbij, en met meer lawaai dan ons lief is. Hoe weinig we van Oost-Europa weten en hoe slecht we het begrijpen is de afgelopen drie tot zeven jaar wel gebleken uit het beschamende gehannes van het Westen met de crisis in ex-Joegoslavië.

Ruzies en conflicten in het nieuwe Oost-Europa blijken opeens diepe wortels te hebben, en die blijken anno 1994 ook nog eens heel relevant te zijn. Het Westen wordt er door die ruzies en conflicten plotseling aan herinnerd dat er in Oost-Europa ook een pre-socialistische tijd, een interbellum, een Turkse of Habsburgse tijd en zelfs, nog langer geleden, een bloeiperiode zijn geweest. Die perioden hebben sporen nagelaten die in het heden een overheersende rol zijn gaan spelen in het collectieve bewustzijn van hele volkeren. De geschiedenis blijkt nooit te zijn weggeweest, ze heeft eeuwen van vreemde overheersing en dictaturen overleefd, ze was alleen maar ingevroren, weggeborgen, onder het stof geraakt. Ze is levend gebleven in de kunst, in de cultuur, in eeuwenlang doorgegeven sprookjes, legenden, sagen en heldendichten, in de mentaliteit, in een merkwaardige mengeling van superioriteits- en inferioriteitsgevoelens, in het beeld dat men in Oost-Europa van zichzelf en zijn buren heeft.

Uitingen van de continuïteit van de geschiedenis zijn voor Westerlingen soms curieus, zoals het feit dat ikonen anno 1994 nog altijd worden gemaakt op basis van vastliggende modellen van acht, negen, tien eeuwen oud, of dat de boeren van de Banaat of Walachije zich nog altijd kleden zoals de Romeinen hen twee millennia geleden afbeeldden. Soms zijn ze onbegrijpelijk en absurd - zie de wreedheden in ex-Joegoslavië jegens buren met wie eeuwenlang is samengeleefd.

Exotisch

Verwarrend zijn ze ook, want dat verleden is er doorgaans een vol deformaties. De geschiedenis van zo lang geleden blijkt zich na de bevrijding van de jongste van vele dictaturen voortreffelijk te lenen voor manipulatie door volksmenners, propagandisten en machtswellustige populisten. De heldendaden van het ene volk zijn nogal eens de nederlagen van het buurvolk, en naarmate de propagandisten van het ene volk die heldendaden oppoetsen, stoppen die van het andere volk die nederlagen verder weg, of veranderen ze in overwinningen. De geschiedenis is een grabbelton vol gestileerde vertellingen en bewuste weglatingen, vol toegespitste herinneringen en collectief geheugenverlies. De geschiedenis, in Oost-Europa nog veel meer dan elders, is een proces met een dubbele boekhouding, zoals Hoffman het ergens uitdrukt.

Iets exotisch heeft Oost-Europa nog altijd, zeker het zuiden ervan, de Balkan: het boeit en stoot af, het verwart en verbijstert en tegelijkertijd 'annexeert' het de bezoeker die er met meer dan een oppervlakkige belangstelling heen gaat: hij keert na zo'n bezoek vaak zowel geschokt als gefascineerd terug, en hoogst zelden onverschillig.

Eva Hoffman, schrijfster (Lost in Translation: A life in a New Language) en journaliste (New York Times), werd in Kraków geboren, maar verliet Polen als kind. Exit into History is het resultaat van twee lange reizen door het post-socialistische Oost-Europa, reizen die in Polen begonnen en haar via het toen nog niet uiteengevallen Tsjechoslowakije, Hongarije en Roemenië naar Bulgarije brachten.

Hoffman is niet op reis gegaan op zoek naar een rode draad die ze kan blijven volgen. Ze ging met een open blik naar Oost-Europa, liet de diverse landen, hoofdsteden, interviewpartners en reiservaringen gewoon maar op zich afkomen en schreef dat alles in chronologische volgorde op. Exit into History is dan ook een wat misleidende titel, want het boek bestaat uit losse fragmenten die onderling niet met elkaar in verband staan en lang niet altijd met geschiedenis te maken hebben.

Illusies

Het eindresultaat komt door de variëteit van onderwerpen soms wat chaotisch over, maar blijft tot de laatste bladzij boeien. Eva Hoffman heeft zich goed ingelezen en is allesbehalve een oppervlakkige waarneemster. Ze slaagt er voortreffelijk in zich te verplaatsen in haar gesprekspartners en komt nooit tot de gratuite uitspraken die je bij Westeuropese en vooral Amerikaanse verslaggevers, zelfs van kranten als haar eigen New York Times, nogal eens tegenkomt. Maar weinig journalisten gaan onbevangen naar Oost-Europa. Vaak hebben ze hun mening al gevormd en zoeken ze ter plaatse slechts naar de bevestiging van die mening. Hoffman is niet alleen goed geïnformeerd, ze is óók onbevangen. Ze oordeelt noch veroordeelt: ze registreert, ze observeert, en dat doet ze zeer zorgvuldig. Ze schrijft prachtig, met een rijk taalgebruik en een grote trefzekerheid.

Het sterkst is het Poolse hoofdstuk, wat gezien haar achtergrond niet zo verwonderlijk is. Het minst sterk zijn de hoofdstukken over Slowakije en Roemenië, het eerste omdat ze dat land nog niet als apart land (en hoofdstuk) behandelt maar 'meeneemt' als een verlengstuk van Tsjechië (Tsjechoslowakije was nog niet uiteengevallen toen ze Bratislava bezocht), het tweede omdat ze het minder goed begrijpt, of omdat ze dat wàt ze begrijpt minder helder onder woorden weet te brengen. Hoffmans gesprekspartners zijn afkomstig uit alle hoeken van de samenleving: parlementariërs, journalisten, nieuwe zakenlieden, ex-communisten, communist gebleven communisten, ex-dissidenten en nog-dissidenten, intellectuelen, schrijvers, beeldende kunstenaars, maar ook 'gewone', bij toeval tegen het lijf gelopen boeren, burgers en buitenlui: van lifters in Hongarije en arbeiders tijdens een impromptu-rondleiding op de scheepswerf in Gdansk tot Turkse tabaksboeren in een dorp bij Plovdiv, zigeuners in Hongarije, boeren in de Boekovina die Hoffman vertellen (wijsmaken is in dit verband misschien een beter woord) dat hun dorpen nooit zijn gesloopt omdat men Ceausescu in dat verre noorden van Roemenië negeerde: 'We luisterden niet en we hoorden hem niet.' Hoffman praat met een communist die nog met Ceausescu in een vooroorlogse gevangenis heeft gezeten en met een vrouw die een weeshuis ergens in een achterafhoek van Roemenië bestiert (een van de weinige personen overigens die ze wèl, zij het impliciet, veroordeelt).

Oost-Europa is niet makkelijk te doorgronden, nu zelfs minder makkelijk dan vroeger. De Westerse buitenstaander, redenerend vanuit zijn comfortabele leunstoel, weet doorgaans wel wat goed is voor de Polen, Hongaren en Roemenen: de dictatuur is voorbij, alles moet anders, het nieuwe - het 'onze', het Westerse - is goed, en als de Oosteuropeanen dat nu maar gewoon overnemen komt alles wel in orde. De Roemeense filosoof Andrei Plesu - het is doodzonde dat Hoffman hèm niet is tegengekomen - heeft het dilemma van de Roemenen met betrekking tot dat 'nieuwe' eens goed weergegeven: 'In naam van de vernieuwing werden ooit onze ouders gearresteerd, werd ons de toegang tot de wortels van onze intellectuele traditie ontzegd, werden onze huizen verwoest en onze dorpen gesystematiseerd. We werden een Nieuwe Mens, een die sprak met een verminkte, zielloze taal, verstikt door talloze leuzen en instantformules. Vernieuwing bleek bedrog, het beschimpen van de geschiedenis en het verlies aan authenticiteit. Al het 'nieuwe' werd verdacht, zelfs al komt het uit de normale regio's van deze wereld.'

Hoffman geeft in haar boek een goed beeld van dat gecompliceerde Oosteuropese dilemma. 'De paradoxen, de contradicties, de kosten en baten, de pro's en contra's - er zijn er genoeg om je morele kiespijn te bezorgen. De zaken gaan beter maar de zaken gaan slechter, de toestand is wanhopig maar zeer hoopvol. Er is vrijheid maar er is werkloosheid, er is het begin van rijkdom maar er is armoede, er zijn opties maar er is leed', schrijft ze. Conclusies trekt ze niet: 'Zoals alle experimenten in de werkelijkheid is het grootscheepse, complexe Oosteuropese experiment tegelijkertijd duidelijk omschreven en uitermate vloeibaar; de resultaten kunnen alleen zichtbaar worden in de tijd, en ze kunnen - misschien gelukkig - nooit definitief worden verklaard.'

Niet alles in het boek klopt - er staan nogal wat feitelijke onjuistheden in - en soms loopt Hoffmans stijl over in mooischrijverij. Maar dat zijn kleinigheden die meer dan worden goedgemaakt door haar gevoeligheid en haar diepgang. Verdwijnen in de geschiedenis is een boek over hoop en wanhoop, over illusies en teleurstellingen op alledaagse basis, over morele criteria die in decennia en soms eeuwen van dictatuur en een paar jaar van plotseling verkregen vrijheid zijn ge- en misvormd. Wie daar een beeld van wil geven moet van goeden huize komen. Eva Hoffman komt van heel goeden huize.

    • Peter Michielsen