CORVETTE

In het gehucht waar ik woonde waren niet veel mensen met een auto. De pastoor had er een, de winkelier bracht met een busje de bestellingen rond en een enkele hereboer kwam er op zondag mee naar de kerk.

Op het nabijgelegen vliegveld lag dat iets anders. De directeur reed in een Porsche, de eigenaar van een fabriek met de wonderlijke naam Werlust verplaatste zich in een witte Maserati met spaakwielen en Pieter van Vollenhoven, die er zijn vliegopleiding volgde, tufte er dapper tussendoor met een Spitfire. Daar was geld en de mogelijkheid om wat bij te verdienen. Autowassen dus, wat ik deed als de eigenaren weg waren voor een overlandtripje. Naar de Waddeneilanden of richting Duitsland om goedkoop de vleugeltanks vol te gooien. Ze waren altijd zo verstandig om de autosleutels mee de lucht in te nemen, behalve dan die ene keer dat de eigenaar van een Corvette dat naliet.

De witte plastic auto met de open kap was weer tip-top en zittend achter het grote stuur waande ik me op weg naar het stadsplein met de vele terrasjes waar nu de mooiste meiden in de zon zaten. De hevig begeerde verkering zou met deze auto een fluitje van een cent zijn, als ik voorbij zou rijden had ik er zo vier in het rode koeienleer zitten. Negentien zou ik desgevraagd zijn, geen zestien, al steenrijk én met een rijbewijs. Weg uit het saaie gehucht, eindelijk de wijde wereld in. Langzaam draaide ik het contactsleuteltje naar voren om de radio te laten spelen. Geen geluid uit de speakers maar wel een geroffel onder de immense motorkap, alsof ik op een beer in zijn winterslaap was getrapt. De automaat zette de wagen in beweging, dwars door de haastig aangetrokken handrem heen. Jezus, dit gaat fout, de machtige banden ploegden door het gras, ik kon amper boven het dashboard uitkijken en staande op de stoel stuurde ik de almaar sneller rijdende auto tussen de geparkeerde vliegtuigen door. Voor me een sloot, scherp naar rechts, dan naar links de rondweg om het vliegveldje op. Rommelen aan de sleutelbos, schudden met het stuur, nog harder trekken aan de handrem, niets hielp. Het monster ging steeds sneller en sneller over het smalle weggetje. Aan het eind van de startbaan ging de rondweg naar links; die bocht haalde ik niet en met de kont en de enorme uitlaatpijpen omhoog lag de Corvette met zijn neus in de droge sloot. De radio was begonnen te spelen: Rob de Nijs en Trea Dobbs. Vanaf de andere kant van het vliegveld kwam een grote, zwarte auto aanrijden die ik herkende van de zondagochtenden op het kerkplein. Zwijgend stapte de boer uit, haakte de Corvette aan zijn auto en sleepte hem achterwaarts weer terug naar de emmers met sop. Nooit meer doen, hè! Ik bedankte hem met een knik. In de zondagse kerkbank draaide hij zich naar me om, knipoogde en las weer verder in de bijbel.