Conservatoria-advies is een slim compromis

Met het advies van de Raad voor de Kunst aan staatssecretaris Cohen van onderwijs om alleen aan de conservatoria van Den Haag en Amsterdam een tweede-faseopleiding toe te kennen, heeft de discussie over kwaliteitsverbetering van het muziekvakonderwijs een verrassende wending genomen. Er is volgens de Raad onvoldoende talent om veel meer vervolgopleidingen te kunnen rechtvaardigen.

Alle twaalf conservatoria in Nederland hebben de afgelopen tijd, alleen of samen met anderen, hun best gedaan om een tweede fase, een vervolgopleiding voor echte muziektalenten, in de wacht te slepen. En tot nu toe was er steeds sprake van minimaal vier tot zelfs zes van dergelijke opleidingen.

De commissie, bestaande uit dirigent Heinz Friesen, Holland-Festivaldirecteur Jan van Vlijmen, de componisten Ton de Leeuw en Henk van der Meulen en voorzitter Rinus Haks, heeft met dit advies een slim en werkbaar compromis bedacht. De helft van de dertien miljoen gulden die voor de inrichting van de vervolgopleidingen beschikbaar was, kan nu worden gebruikt voor verbetering van alle eerste-faseopleidingen en van het muziekonderwijs voor jonge mensen.

De toewijzing is nu aanzienlijk vereenvoudigd. Het is moeilijk te ontkennen dat de conservatoria van Den Haag en Amsterdam daarvoor als eerste in aanmerking komen, gezien de kwaliteit van het docentencorps en de inbedding van beide instituten in het Nederlandse muziekleven - al valt er ook aan deze instituten wel wat te verbeteren. Het muziekaanbod in Den Haag is bovendien niet het meest gevarieerde dat men zich kan voorstellen en het Sweelinck conservatorium heeft zich de laatste jaren in een wat geïsoleerde positie binnen het rijke Amsterdamse muziekleven gemanoeuvreerd.

Door voor twee tweede-faseopleidingen te kiezen krijgen die een exclusiever karakter. Als er veel meer komen, dreigen de conservatoria met alleen een basisopleiding een soort tweederangs-instituten te worden - vooral in regio was men daar bang voor.

De beide tweede-faseopleidingen moeten landelijke voorzieningen worden, met een onafhankelijk toelatingsbeleid waarbij wordt gelet op de kwaliteit van de kandidaten en niet op het conservatorium waar ze vandaan komen. De directeur van het Haagse conservatorium suggereerde eerder, dat studenten die in aanmerking willen komen voor een tweede-faseopleiding maar beter meteen in Den Haag kunnen beginnen. Dat idee wordt door de Raad voor de Kunst nadrukkelijk afgewezen.

Over een jaar of vier moeten de nieuwe opleidingen worden beoordeeld. Het is niet ondenkbaar dat er dan een derde vervolgopleiding zal komen, mogelijk buiten de Randstad. Door die keuze uit te stellen krijgen de regionale conservatoria, die de afgelopen tijd haastig plannen maakten voor gezamenlijke opleidingen, de kans om hun prille samenwerking gestalte te geven en te bewijzen dat die meer is dan een mooie papieren constructie.

    • Paul Luttikhuis