Birmezen op zoek naar een uitweg voor de angst

Myanmar, zo herdoopte de militaire junta haar land, Birma, in 1989, om vooral aan te geven dat zij en niemand anders de macht had. Al 32 jaar regeert het leger met ijzeren hand in Birma. Recentelijk leek er iets meer politieke vrijheid te ontstaan, leek - in werkelijkheid is dat slechts schone schijn.

RANGOON, 12 MAART. Schemer over de Shwedagon-pagode. Het laatste zonlicht speelt met de goudkleurige honderd meter hoge koepel. Het is als een omgekeerd wafelijsje, zachtoranje. Birmezen laven zich in groepjes op de trans rondom de toren aan de koelte van het marmer. Pas nu, niet meer in het volle licht, durven enkelen voor hun ware gevoelens uit te komen, gesterkt door de nabije onzichtbare bescherming van Boeddha.

Vier studenten stappen in de auto. Ze zingen, ze joelen een lied tegen de SLORC, de cryptische naam waarmee de Birmese militaire junta zichzelf heeft getooid. Ze vervloeken Khin Nyunt, de sterke man en steken hun duim op voor Aung San Suu Kyi, de gevangen oppositieleider. In de openbaarheid van de dag zouden ze dat niet wagen, ze zouden ogenblikkelijk worden opgepakt. Maar onder dekking van de nacht, in een rijdend voertuig, hebben ze de euvele moed.

De Birmese militairen, die hun land al 32 jaar in een stalen greep houden, hebben recentelijk aanwijzingen gegeven hun dictatuur te willen verlichten. Op economisch gebied kunnen de Birmezen zich tegenwoordig de vrijheden van de markt laten welgevallen, terwijl er enige beweging is gekomen in de politieke patstelling tussen junta en oppositie.

Vorige maand mocht Aung San Suu Kyi (48), winnares van de Nobelprijs voor de Vrede in 1991 en sinds juli 1989 gevangene in haar eigen huis, voor het eerst in vierëneenhalf jaar 'vreemd' bezoek ontvangen in de persoon van het Amerikaanse Congreslid Bill Richardson. Tot nu toe was dat recht - met grote tijdsintervals - alleen voorbehouden aan haar Britse echtgenoot Michael Aris en hun twee zoons. Eerder dit jaar had de SLORC volgens eigen zeggen de wachtposten bij het huis van Suu Kyi weggehaald. Zou het de tatmadaw, de Birmese strijdkrachten, werkelijk ernst zijn met de politieke dialoog?

Aung San Suu Kyi woont op University Road 54, aan de oever van het Inya-meer, in het midden van de uitgestrekte hoofdstad Rangoon. In de buurt van het vervallen huis mag niet worden stilgehouden. Politieagenten manen het verkeer van enige afstand om door te rijden. Militairen staan er inderdaad niet meer voor de woning, wel mannetjes in burger, zodat aan de praktijk van het huisarrest in feite niets is veranderd.

Als teken van de materiële vooruitgang is aan de overkant van de straat een nieuwe eetgelegenheid geopend, het Power Restaurant, dat keiharde zeer valse Westerse muzak ten gehore brengt. Obers buigen als knipmessen en antwoorden op elke vraag over hun overbuurvrouw: “Dat weet ik niet.”

'De dame', zo wordt Suu Kyi gewoonlijk aangeduid door de Birmezen om problemen met het regime te voorkomen. Haar grote populariteit dankt ze aan haar afkomst, als dochter van de Birmese vader des vaderlands Aung San en aan haar onverschrokken optreden in 1988-89 toen de Tatmadaw een volksopstand ten koste van duizenden doden neersloeg.

“De dame vormt verreweg het grootste obstakel voor de militairen”, zegt een Westerse ambassadeur. De ontmoeting met Richardson ziet hij als een grote sprong voorwaarts. “Belangrijker dan het gesprek zelf was het feit dat de Birmese (gelijkgeschakelde) pers er uitgebreid melding van mocht maken.”

De diplomaat heeft wel enig begrip voor de overwegingen van de junta: “Als ze haar zonder meer vrijlaten, zal dat zo'n golf van emoties teweegbrengen dat het land verandert in chaos.” De generaals noemt hij “hardwerkende ministers” die in alle oprechtheid proberen het land er economisch bovenop te helpen. “En dat is geen sinecure. In dit land heerst geen materialisme. De mensen hebben weinig bezit en koesteren die behoefte ook niet. Ze houden vast aan hun eigen tradities en laten zich niet gemakkelijk beïnvloeden door anderen.”

Het straatbeeld geeft de ambassadeur in dit opzicht gelijk. Geen land in het Verre Oosten dat zo 'onaangepast' is als Birma. Vrijwel alle mannen zijn hun longyi, de lange Birmese rok, blijven dragen, alleen agenten en militairen dragen een broek. Vrouwen smeren hun gezicht in met klei, ook in de steden, tegen de zon en als versiering. Oude vrouwen roken op straat cheroots, sigaren met het uiterlijk van een joint. Westers eten en drinken is nauwelijks verkrijgbaar, al zijn Coca-Cola en Heineken aan een indrukwekkende opmars bezig. De bezoeker kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit charmante purisme niet louter het gevolg is van jarenlang isolement en onderdrukking, het weerspiegelt de eigenzinnige volksziel.

“Ons land heeft een militaire dictatuur nodig”, zegt U Hla Tun, een zakenman op leeftijd die tevens honorair consul voor Nederland is. Hij rekent oudgediende Ne Win, de aanstichter van de militaire coup in 1962 en Than Shwe, de voorzitter van de SLORC (Staatsraad voor Herstel van Orde en Gezag) tot zijn vrienden evenals Khin Nyunt, de secretaris van de staatsraad. Khin Nyunt, officieel vaak aangeduid als 'Secretaris Nummer Een' is de voormalige chef van de geheime dienst en wordt algemeen beschouwd als de primus inter pares.

Suu Kyi schreef in 1989 vlak voordat ze monddood werd gemaakt: “De woorden 'Orde en Gezag' zijn zo vaak misbruikt als een excuus voor onderdrukking, dat de hele frase verdacht is geworden in landen met autoritaire regimes.” Uit de ontmoeting met Richardson bleek vorige maand dat ze ondanks haar opsluiting niets aan politieke kracht heeft ingeboet. Ze was bereid tot overleg met de junta, niet tot concessies en eiste dat de democratie zou worden hersteld.

U Hla Tun verwijst juist naar de democratische periode '48-'62 als voorbeeld hoe het niet moet. “De corruptie was groot, de politici deden niets anders dan bakkeleien en de regering viel uiteen in facties.” Hij geeft hoog op over de economische vooruitgang van de laatste vijf jaar. “In 1989 reed er nauwelijks een privé-auto in Rangoon en zag je geen importgoederen. Kijk nu eens: duizenden wagens en de winkels puilen uit van de buitenlandse consumptiegoederen.”

Zijn beschrijving klopt: Rangoon zindert van de economische activiteit. De stad maakt de indruk op weg te zijn naar verandering: huizen worden opgeknapt, overal nieuwe auto's, terwijl de honderden blauwe Mazda-pickupjes uit de jaren zestig, die dienst doen als taxi's, stuk voor stuk een grote onderhoudsbeurt hebben gekregen. Een straathandelaar ziet in de economische openheid een vorm van omkoping door de junta. “Maar we hebben geen keus, als je ze niet kunt verslaan, moet je met ze samenwerken.”

De junta lijkt na de grote politiek-economische crisis van '88-'89 en enige jaren van onderlinge verwarring en tegenstellingen - juntaleider Saw Maung trad in 1992 af, officieel om gezondheidsredenen, maar boze tongen in Rangoon beweren dat Saw het te goed voorhad met de democratie - de juiste koers te hebben gevonden: economische vrijheid in plaats van de 'Birmese weg naar het socialisme' die Ne Win bewandelde, gekoppeld aan een bestendiging van de politieke onderdrukking, eufemistisch stabiliteit genoemd. Als we afgaan op de officiële cijfers nam het bruto nationaal produkt vorig jaar met 10,9 procent toe, na jaren van nulgroei of zelfs achteruitgang.

De vrije verkiezingen van 1990, die door de Nationale Liga voor Democratie (NLD) van Aung San Suu Kyi met overweldigende meerderheid werden gewonnen (60 procent van de stemmen), noemt U Hla Tun “een tragische vergissing”. Suu Kyi is wel een betrouwbaar politica, maar ze werd omringd door communisten, zegt hij en daar kwam de SLORC pas naderhand achter. Hla Tun schaart zich achter het standpunt van de militairen dat de verkiezingen slechts waren bedoeld om een zogenaamde Nationale Conventie samen te stellen die zich zou moeten buigen over een nieuwe grondwet.

Die Nationale Conventie kwam in januari 1993 voor het eerst bijeen en vergadert met enige regelmaat onder strenge leiding van de militairen, over een nieuwe constitutie. Ook de NLD neemt aan de beraadslagingen deel, niet nadat de junta haar had gezuiverd van alle naaste medewerkers van Aung San Suu Kyi. Het merendeel van hen zit achter de tralies. De Liga bestaat alleen nog maar uit ja-knikkers of spionnen voor de SLORC. De Nationale Conventie is dan ook een schijnvertoning, gericht op versterking en legitimering van de positie van de Tatmadaw in alle geledingen van de maatschappij.

Als de junta het deksel zo stevig op de pot wil houden, waarom hebben ze dan een opening gemaakt naar Aung San Suu Kyi? De Westerse ambassadeur: “De opening is kosmetisch en bedoeld voor de buitenwacht. Birma wil in 'de wereld' een beter aanzien krijgen om onder andere te worden toegelaten tot de ASEAN (de Zuidoostaziatische gemeenschap) en weer leningen te krijgen van het IMF en de Wereldbank.” Het feit dat het huisarrest voor Suu Kyi onlangs is verlengd met één jaar bewijst zijn stelling, niets wijst op een werkelijke liberalisering.

Intussen heeft de opzet van de SLORC tot groot resultaat geleid. Begin deze week maakte een woordvoerder van het Thaise ministerie van buitenlandse zaken bekend dat Birma voor het eerst mag deelnemen aan een bijeenkomst van de ASEAN, in juli in Bangkok. Op termijn zou dit kunnen leiden tot het lidmaatschap van het handelsblok, dat nu bestaat uit zes landen.

De SLORC heeft ook in toenemende mate succes bij het oplossen van de grootste kopzorg na de politieke beslommeringen in Rangoon: de guerrillastrijd die tientallen etnische groepen al decennia lang voeren tegen het regeringsleger, dat hoofdzakelijk recruteert onder de grootste bevolkingsgroep, de Birmanen. De Karens, Mons, Kachins en andere minderheden uit de lange grensstrook met Thailand hebben de afgelopen maanden één voor één toegestemd in het voeren van vredesbesprekingen met het bewind. De meeste etnische legertjes moesten de afgelopen jaren heel langzaam terrein prijsgeven en zagen kennelijk geen heil meer in voortzetting van de strijd.

De SLORC buit de pacificatie van de minderheden ten volle uit. “Ons land is voorbestemd voor de welvaart”, orakelt radio Rangoon in zijn nieuwsbulletin. En The New Light of Myanmar, Birma's Engelstalige dagblad, draagt als opschrift “Asokan: om vrij te zijn van angst, dit is de weg naar de voorspoed.” De krant staat onder volledige controle van het bewind en doet in haar bombastische berichtgeving sterk denken aan het vroegere Neues Deutschland uit de DDR-zaliger-gedachtenis.

Vrij van angst zijn de Birmezen allerminst. “Dit is een heel gevoelig land”, zei zelfs U Hla Tun bij het eerste contact over de telefoon, “U kunt beter niet zomaar naar mij toekomen, dan krijg ik moeilijkheden.” Op straat regeert de achterdocht, het aantal verklikkers voor het bewind is groot, een verkeerde opmerking kan de cel betekenen.

Maar Saw Saw kan het niets meer schelen. De riksja-rijder in het noordelijke Mandalay, 800 kilometer ver van de hoofdstad, heeft niets te verliezen, zegt hij. “Ik heb alleen een oude moeder thuis, mijn beste vriend is opgepakt en tot zeven jaar veroordeeld. Ik zeg wat ik wil: ik haat de SLORC.” Zoals Saw Saw zijn er niet veel; een speurtocht door de stad op zoek naar aanhangers van de Nationale Liga voor Democratie loopt op niets uit, niemand durft te praten, niemand.

Een bezoek aan het hoofdkwartier van de NLD in Rangoon is evenzeer een nutteloze zaak. Een bang partijlid verwijst voor afspraken naar de militaire inlichtingendienst, die op zijn beurt uiteraard van niets weet en weer doorstuurt naar het ministerie van informatie, dat gespecialiseerd blijkt te zijn in het achterhouden van zoveel mogelijk informatie.

Taxichauffeurs huiveren bij de gedachte naar het huis van dissidenten te moeten rijden. Niemand weet iets, niemand wil iets, aanvankelijk. Na een paar dagen Rangoon biedt een chauffeur zelf een adresje aan. In zijn bestelbusje rijdt hij eerst kriskras door Rangoon, een aantal malen hetzelfde blokje om, om te controleren of er ongewenste volgers zijn. Als de kust vrij is parkeert hij de auto voor een rommelige rij lage huisjes in een onverharde straat.

Een nauw trapje leidt naar het huis van Maung Shwe (uit veiligheidsoverwegingen niet zijn echte naam), die sinds zeven maanden in de Insein-gevangenis verblijft. Vrouw en dochter ontvangen. De ruim 60-jarige Maung, lid van de NLD, had vorig jaar geprotesteerd tegen de façade van de Nationale Conventie. Dat kwam hem op twintig jaar gevangenisstraf te staan. “Hij zit in een isoleercel, maar de behandeling is goed”, zegt zijn vrouw. Tweemaal per maand mag ze hem bezoeken. In Insein zitten “verscheidene duizenden” politieke gevangenen, schat zij. Maungs vrouw houdt zich verre van de politiek. “Ik ben niet geïnteresseerd in de SLORC of in de Conventie. Het enige dat ik kan zeggen is dat ik grote bewondering heb voor Suu Kyi, maar dat heeft iedereen in Birma, ze heeft zoveel talent, ze is onze natuurlijke leider.”

    • Lolke van der Heide