'Bij de post zaten alleen maar rekeningen, geen winstpremie'

Een jongensdroom, noemt STEVEN LUBBERS het. Onder zijn aanvoering plaatste het Nederlandse cricketteam zich verleden week in Kenia voor het eerst in de historie voor het A-wereldkampioenschap met de vermaarde testlanden. “We gaan straks genieten.”

Bondsvoorzitter Steven van Hoogstraten noemt hem “een echte captain van zijn mannen”. Hij is volgens speler Tim de Leede “een voorbeeld voor ons allemaal”. “Ik ben diep onder de indruk van hem geraakt. Hij heeft constant pijn in zijn knie, maar daar hoorde je hem nooit over.”

Dus is het terecht dat de goudkleurige beker, behorend bij de derde plaats van het B-WK, voorlopig op de boekenkast in Deventer staat, thuis bij Steven Lubbers. Volgens cricketexperts zou de 40-jarige Nederlandse record-international in Kenia de beste wedstrijden uit zijn lange carrière hebben gespeeld. Zelf is hij daar laconiek over. Hij praat liever over de prestatie van het hele team. “Ik heb aardig gedraaid, leuk.”

Soms is hij minder bescheiden. Dan stelt hij vast dat er in Nederland slechts “vijf à tien mensen” rondlopen die net als hij echt verstand van cricket hebben. De rest doet maar alsof. “En zelfs ik weet nog niet alles.”

Bij geen enkele andere teamsport is de rol van aanvoerder zo belangrijk. Bij cricket bepaalt de captain opstelling en taktiek. Een loodzware job, stelt Lubbers. Dag en nacht is hij er mee bezig. Uren en uren kost het hem.

Hij is een soort psycholoog. Hij moet zijn spelers door en door kennen, hun sterke en hun zwakke punten. “Cricket luistert heel nauw. De kleinste details kunnen de doorslag geven.” Hij is ook een soort weerman. Hij moet 's ochtends kunnen bepalen of het beter is om eerst te batten of te fielden. En hij is, zoals hij zelf zegt, een soort dominee. Hij moet steeds maar weer hameren op discipline en regels.

Hij noemt zichzelf streng. Hij tolereert geen overtreding, hoe klein ook. Wie te laat op de training of aan tafel is, moet zich verantwoorden. Mede daarom was een speler als Rupert Gomes er deze keer niet meer bij. “Ik zie ons bij het WK van '86 nog in volgepakte busjes zitten. Tien, twintig minuten wachtend op Gomes die zijn haren nog moest kammen.” Lubbers beweert altijd duidelijk te zijn. “In Nederland zijn we gewend te praten, te praten en te blijven praten. Totdat je helemaal gek bent. Dat werkt niet.”

De ware cricket-captain geniet respect bij zijn teamgenoten. Zo ook Lubbers. Sommige spelers spreken hem constant met skipper aan. “Natuurlijk mogen ze Steven zeggen.” Er is duidelijk sprake van een hiërarchie binnen een cricketteam. “Het is eigenlijk heel on-Nederlands dat een hele groep zich zomaar neerlegt bij beslissingen die door een paar mensen zijn genomen.”

Het aanvoerderschap is volgens Lubbers een eenzame rol. “Vaak sta je er helemaal alleen voor. Maar dat is niet erg. Dan word je tenminste niet afgeleid.” Soms moet hij “een beetje met mezelf lullen”, want ook hij heeft af en toe zijn zwakheden. “Daar zijn de momenten in de auto ideaal voor, als ik dat takke-end vanuit het westen naar huis moet rijden.” Een aanvoerder moet bestand zijn tegen de zwaarte van zijn taak. Daarom bedanken volgens Lubbers veel mensen voor de eer en stellen clubs noodgedwongen de verkeerde personen aan. “Maar die worden dan binnen een paar maanden kapot gemaakt en houden het dan vaak voor gezien. Dat is zielig om te zien.”

Heel belangrijk zijn de mensen om de captain heen. De samenwerking met parttime-bondscoach David Trist, een voormalig testspeler uit Nieuw-Zeeland, was in Kenia perfect, volgens Lubbers. “Hij is een fantastische coach.” In vrijwel elke andere sport maakt degene die in Trists positie is, de opstelling. “Gelukkig is dat bij ons anders”, stelt Lubbers. “Want ik moet wel met die jongens het veld in.” Zo gaat het bij vrijwel alle topploegen in het cricket. Maar bij Denemarken, zwaar tegenvallend op het B-WK, bepaalde de Australische coach alles. Lubbers zag het helemaal mis gaan. Van zijn Deense collega hoorde hij dat de coach hem gedreigd had uit de kamer te zetten als hij zijn zin wilde doordrijven. Lubbers kijkt erbij alsof hij een misdaad heeft geconstateerd. “Dat is toch ongelooflijk?”

Wat is eigenlijk zijn grote kracht, buiten zijn cricketkennis? “Ik denk dat ik de taal van de groep spreek.”

Het zou een groot probleem voor het Nederlandse cricket betekenen, wanneer Lubbers zou stoppen. Zelf weet hij nog niet of hij tot en met het grote WK van '96 zal doorgaan. Natuurlijk wil hij het spektakel in India en Pakistan meemaken, maar het cricket kost hem nu te veel tijd. Hij heeft een baan als leraar lichamelijke oefening. En hij heeft, zoals hij dat noemt, “de Thuis BV”. Zijn vrouw kan elk moment van hun vierde kind bevallen.

Er moeten, stelt hij, bakken met geld bij. “Want het is een hobby, hè”, zegt hij cynisch. “We zijn straks op het WK het enige pure amateurland. Het wordt nog steeds als heel normaal ervaren dat we ons eigen materiaal aanschaffen.” De spelers van de winnaar van het B-WK, de Verenigde Arabische Emiraten, kregen ieder een premie van 15.000 dollar plus een auto. Lubbers lachend: “Ik heb net mijn post doorgenomen, maar daar zaten alleen maar rekeningen bij.” Hij wil zijn beslissing om al dan niet door te gaan, laten afhangen van het programma dat de cricketbond voor de komende jaren zal samenstellen. Hij wil het niet als dreigement laten klinken. “Want dat is het niet.”

In het team van de Emiraten speelden cricketers uit Pakistan, India en Sri Lanka. Bij de andere ploegen waren er grote twijfels of deze spelers gezien de strenge regels wel hadden mogen spelen. Nederland diende zelfs een klacht in. Er speelde maar één echte Arabier in het team. Die was ook meteen de aanvoerder, een multi-miljonair volgens Lubbers. “Hij is best een redelijke cricketer. Hij zou zeker bij ons in de hoofdklasse kunnen meekomen, maar ik weet niet of ik hem zou laten bowlen.”

Met vele anderen verdenkt Lubbers de Emiraten van omkoperij. Door met dollars te strooien zouden ze de belangrijke personen in het cricket op hun hand hebben gekregen. “Wij zoeken zo'n 150.000 gulden, maar zij schuiven met het grootste gemak links en rechts wat tonnen weg.” Maar in een speech complimenteerde Lubbers de Arabieren, door hem als 'Pakistan B' aangeduid, met hun sterke ploeg. Op zo'n moment is de captain tevens diplomaat. Hij wil met zijn team graag deelnemen aan een groot toernooi in de Emiraten. De uitnodiging is inmiddels binnen.

Het toernooi in Kenia duurde te lang. Het deelnemersveld was te groot. Met te veel zwakke ploegen. Lubbers spreekt van “onzin-wedstrijden”. “Je hoopt dat het niet gaat regenen, want anders verlies je twee punten aan het weer.” Afgelaste wedstrijden worden op het WK niet opnieuw vastgesteld. Lubbers herinnert zich het moment dat hij voor de wedstrijd tegen Gibraltar met zijn collega-aanvoerder het veld opliep voor de toss. “Die jongen was doodsbang dat hij de toss zou verliezen. Dan zouden wij het eerst gaan batten en de tegenstander met 450 runs om de oren kunnen slaan. Gelukkig won hij de toss en zo waren we in tien overs klaar en zaten we om half drie al aan het bier. Wij blij, zij blij.”

De toeristen onder de deelnemende landen genoten in Kenia met volle teugen van hun 'vakantie'. Drank en vrouwen, het kon niet op. “Ik wil niet zeggen dat wij als monniken hebben geleefd, maar de discipline was heel goed.” Lubbers stelt ook vast dat de zware voorbereiding zijn nut heeft gehad. “We waren daar de fitste ploeg.”

Hij verwacht niet dat het succes van de nationale ploeg voor duizenden nieuwe leden gaat zorgen. Wel rekent Lubbers op een redelijke toename. Hij merkt de laatste jaren een grotere belangstelling voor cricket in Nederland. Dat komt, weet hij, vooral door de uitzendingen op de BBC. “Cricket heeft iets ongrijpbaars voor de mensen”, aldus Lubbers. “Wie zich er een beetje in verdiept, beseft dat het in deze sport niet om doktoren in ligstoelen gaat, die altijd aan de thee zitten.”

Door het verdiende geld kan de cricketbond een promotiefunctionaris aanstellen. Hij schatert het ineens uit. Het idee op zich vindt hij uitstekend. “Maar ik heb de taakomschrijving gezien. Er staan zesentwintig punten op, geloof ik. Zo'n man kan niet slagen. Het is net zoiets als wanneer de Edah een schappenvuller zoekt, maar daarvoor een atheneumdiploma eist.”

Lubbers, ook nog bondscoach van de jeugd, noemt cricket ideaal voor ambitieuze jongeren die de top in een willekeurige tak van sport willen bereiken. “Er is weinig concurrentie. Het is een kleine sport. Ik kan een jongen die niet bang is uitgevallen, balgevoel heeft en enthousiast en atletisch is, binnen twee jaar in Jong Oranje krijgen.”

Vaak staan andere sporten het cricket in de weg. Lubbers was zelf een zeer verdienstelijke voetbalkeeper. Go Ahead en Veendam toonden ooit interesse voor hem, maar de man met de zwakke knie gaf zijn studie voorrang en koos uiteindelijk voor cricket. Hij volgde al op 24-jarige leeftijd een Engelse coachingcursus (“Toen pas besefte ik wat er allemaal in deze sport zat”) en zwierf een jaar of drie over de wereld met zijn bat. Hij wordt volgende maand 41 jaar en speelt komend seizoen weer voor het Schiedamse Hermes DVS. “Maar UD (Deventer, red) blijft natuurlijk mijn cluppie.”

Bang voor de confrontatie met de toplanden bij het WK '96 is Steven Lubbers absoluut niet. “We moeten ervan genieten.” Tienduizenden mensen zullen er op de tribune zitten. De achterstand op grootmachten als Australië, Engeland en Pakistan wordt volgens Lubbers kleiner, maar zal straks toch nog groot zijn. Met name aan slag, het batten, komt Nederland te kort. Dat onderdeel was in Kenia volgens Lubbers “zo zo”. “Dat komt omdat wij hier van die kleine rotveldjes gewend zijn. Internationaal zijn de veld bijna twee keer zo groot. Dat is wennen.”

Aan het batten en het lopen zal veel tijd worden besteed. “De kans is tachtig à negentig procent dat we bij het WK alle vijf wedstrijden verliezen. Toch kunnen we dan verrekte goed hebben gespeeld. Daar moeten we naar streven. We moeten indruk maken. En ik sluit niet uit dat we nog wel een wedstrijdje winnen. Onderschatting is een menselijk trekje, hè.”

In zijn gedachten heeft hij de ploeg al het veld op zien komen. In gekleurde pakken met de namen achterop, zoals bij een groot WK gebruikelijk is. “Ik denk dan aan groene broeken en van boven oranje met van die witte biezen. Dat is mooi, man! Ja, dat is mooi!”

    • Hans Klippus