AOW

In zijn reactie op mijn brief van 8 maart stel H.J.M. Beijk (NRC Handelsblad, 10 maart), dat vele ouderen - ondanks de penioen-/lijfrenteaftrek - in het verleden toch de volledige AOW-premie hebben betaald.

Dat klopt. Daarbij kan echter bedacht worden dat die mensen vervolgens wel vijftig of zestig procent en in het verleden zelfs tot 72 procent over hun 'pensioeninvesteringen' aan belasting (en dus op hun bijdrage aan de samenleving) hebben bespaard.

Hij vraagt zich daarbij vervolgens af waarom ouderen opnieuw moeten betalen. Maar met 'opnieuw' betalen heeft het niets te maken. In Nederland kennen we nu eenmaal bepaalde systemen van inkomens-overheveling. Over de rechtvaardigheid van heffing en uitkering kan ellenlang gefilosofeerd worden. Ook ik heb jarenlang WW-premie betaald zonder (gelukkig) ooit een uitkering te hebben ontvangen. Bij de AOW hebben we eigenlijk voor eenzelfde systeem van heffing en uitkering gekozen. Alleen, toen de AOW uitgevonden werd waren de meeste ouderen uitsluitend van die uitkering afhankelijk. Dan is het onlogisch aan die groep een bijdrage 'in de pot' te vragen, maar die last te leggen bij hen, die op dat moment nog geen 65 waren en nog geld verdienden.

In deze krant van 8 maart lees ik, dat nu al ruim 80 procent van de AOW-gerechtigden op een of andere manier een aanvullend pensioeninkomen heeft. Ik blijf erbij, dat het rechtvaardig is om aan hen met een redelijk tot goed - met fiscale faciliteiten opgebouwd - aanvullend pensioeninkomen te vragen bij te dragen aan de uitkering van hun mede-ouderen, die het alleen met een AOW-uitkering moeten doen.