Amateur-historicus Daniel J. Boorstin: 'Kennis mag verbazing nooit in de weg staan'

'Uitvinden heeft een omschreven doel, ontdekken is de durf hebben op zoek te gaan naar het onbekende.'' Daniel J. Boorstin, een uiterst geleerd man, ziet weinig in geleerdheid. 'Het gaat om scheppen, het maken van iets nieuws.'' Een veelgelezen Amerikaanse amateur-historicus met de nadruk op amateur.

De geschiedenis zoals verteld door Daniel J. Boorstin is er een van het brede gebaar en het sweeping statement, het aforisme en de anekdote. Deze Amerikaanse amateur-historicus en emeritus-Librarian of Congress (79) heeft een hoge stapel vlot geschreven, soms vuistdikke boeken gepubliceerd met een thematische benadering van de mensen en de mechanismen van het verleden. Ze doen soms denken aan de epische films van Cecil B. DeMille, action-packed en met een cast of millions. Boorstin heeft er een breed en internationaal publiek mee bereikt: de trilogie The Americans (1958-1973) is onlangs in het Russisch vertaald, The Discoverers (1983) over sleutelfiguren in de wetenschap is in twintig talen verkrijgbaar en is zelfs tot een Imax-film bewerkt. Van zijn nieuwste, The Creators: A History of Heroes of the Imagination, is deze week bij Agon de bijna duizend bladzijden tellende Nederlandse vertaling ('De scheppende mens', ƒ 79,90) verschenen.

Op een besloten symposium vorige week in het Koninklijk Paleis waar Boorstin eregast was, kenschetste prof. Schulte Nordholt hem in zijn inleiding als een verhalenverteller. Boorstin, van oorsprong advocaat, blijkt de typering 'amateur' als een geuzennaam te beschouwen. 'Net als bureaucraten worden beroepshistorici getraind om binnen de gebaande paden te denken,'' zegt hij enkele dagen later in een vraaggesprek. 'Een amateur kent die niet en raakt er minder gauw in vast.'' Hij vindt ook dat geschiedenisboeken de lezer moeten verleiden, want 'anders dan een fictieschrijver heb je als historicus het nadeel, dat iedereen weet hoe het verhaal afloopt''.

Boorstin, een joodse jongen uit de niet bepaalde kosmopolitische streken Georgia en Oklahoma, bouwde een glansrijke loopbaan op in het recht. Na zijn studie aan Harvard ging hij als Rhodes-scholar naar Oxford en verwierf het recht voor een Engelse rechtbank te pleiten. Kraaiend van plezier wijst hij naar zijn kale hoofd: 'Ik had zo'n pruik kunnen dragen! Maar toen had ik die niet nodig.'' Na een doctorstitel aan Yale werd hij docent aan Harvard en vervolgens dekaan van de rechtenfaculteit aan de Universiteit van Chicago. Al vroeg begon hij ernaast te schrijven; zijn eerste boek heette 'The Mysterious Science of the Law' (1941).

Hij verliet de wereld van het recht om directeur te worden van het national Museum of History and Technology, totdat president Ford in 1975 een beroep op hem deed om Librarian of Congress te worden. 'Ik was pas de tweede niet-bibliothecaris die deze functie heeft bekleed,'' legt hij uit. 'De andere was de door Roosevelt benoemde schrijver Archibald MacLeish. De Library zelf was er in het begin niet gelukkig mee. Dat begreep ik wel, want je leidt een instelling met zesduizend werknemers, een jaarbudget van 350 miljoen dollar en een gigantische verzameling foto's, films, manuscripten, partituren, kaarten en boeken in 468 talen die tezamen het op twee na grootste gebouw in Washington DC vult.''

Hoewel er aan deze functie geen leeftijdsgrens is verbonden, werd Boorstin in 1987 de eerste emeritus-Librarian of Congress. Hij wilde zich - op 73-jarige leeftijd - voor het eerst fulltime aan het schrijven wijden. 'Het grootste voordeel van die emeritus-status,'' zegt hij met pret in de ogen, 'is dat ik de enige Amerikaan ben met een parkeerplaats die bij wet voor hem is gereserveerd.''

Argeloosheid

Boorstin benadrukt dat hij niet over abstracties schrijft, maar over individuen: de Amerikanen, de ontdekkers, de scheppers. En dan bij voorkeur mensen die hetzij door moed, hetzij door argeloosheid iets nieuws hebben bedacht. The Discoverers omschrijft hij als 'de overwinning van de illusie - en daarmee bedoel ik de illusie van kennis. Want een van de grootste obstakels voor de mens is niet onwetendheid, maar de illusie van kennis. De belangrijkste woorden op een wereldkaart zijn: Terra Incognita.'' Als bewijs dat te veel reguliere geleerdheid het vermogen tot verbazing, en daarmee tot baanbrekend denken, in de weg staat, voert hij Paracelsus aan, de peetvader van de geneeskunde, en Darwin, die de moed had om conclusies te trekken uit wat hij eenvoudigweg zag.

Na dit onderzoek van epische proporties naar het weten boog Boorstin zich over het maken. Wat hij onderweg ontdekte, lijkt hem nog altijd met verwondering te vervullen. 'Het concept van het scheppen, het maken van iets nieuws, bleek niet universeel te zijn! Ik was daarover verbaasd en zelfs een beetje teleurgesteld, want ik ben altijd op zoek naar het oecumenische. Hindoes geloven in cycli en islamieten vinden het heiligschennis om te suggereren dat God na het scheppen een dag moest rusten. Het scheppen ex nihilo is een specifiek Westers idee, de judeo-christelijke cultuur eigen.''

De wetenschappen noemt Boorstin displacive: de ene ontdekking haalt de vorige als het ware onderuit. 'Hoezeer we Aristoteles ook om de originaliteit van zijn denken bewonderen, sinds Newton kwamen zijn bevindingen in een ander daglicht te staan. Veel ontdekkingen hebben ook iets onvermijdelijks, waarbij het maar een kwestie van tijd is. Zoals Mark Twain zei: 'It was wonderful to find America, but it would have been even more wonderful to miss it'.

'De kunsten daarentegen zijn additive: het ene kunstwerk ondergraaft de geldigheid van het vorige niet, maar voegt er een laag aan toe. De bijbel is sinds Milton alleen maar interessanter geworden, en hetzelfde geldt voor Milton sinds Dostojevski. De vragen die kunst stelt hebben geen juiste of onjuiste antwoorden. 'Vooruitgang' heeft hier dan ook een heel andere betekenis.'' Hij citeert Picasso, die God omschreef als een kunstenaar die zowel de giraf als de olifant als de post had geschapen. 'Hij heeft niet echt een stijl, hij probeert gewoon steeds wat anders.''

Jaren geleden, zegt Boorstin, was hij lid van een comité dat moest aangeven hoe de overheid de vervaardiging van grote kunstwerken kon stimuleren. Zijn conclusie luidde: zorg ervoor dat de maatschappij openstaat voor het onvoorspelbare. Hoe precies liet hij in het midden, maar op het gebied van de kunsten bereik je dat in ieder geval niet met een stelsel van overheidssubsidies, daar is hij vurig van overtuigd. Hij ontpopt zich als een aanhanger van de romantiek van de koude zolder. 'De belangrijkste werken komen hoe dan ook tot stand. Persoonlijke misère houdt de schepper niet van het scheppen af: Proust leed aan astma, Kafka aan tbc en Milton was nagenoeg blind. De National Endowment of the Arts en de National Endowment of the Humanities geven kunstenaars geld, maar bij het Amerikaanse publiek brengt dat argwaan teweeg. Kunstenaars worden randfiguren en er ontstaat een polarisatie tussen kunstenaars en consumenten.''

Met dezelfde felheid hekelt hij de bezuinigingen van de Amerikaanse overheid op de wetenschappen en op de ruimtevaart in het bijzonder. 'Vooruitgang boeken in de wetenschap vereist enorme sommen geld. Maar wij leven in het tijdperk waarin ontdekkingen een publieke zaak zijn: beslissingen over de financiering van bijvoorbeeld de ruimtevaart en supergeleiders zijn in handen gegeven van politici die deze uitgaven tegenover hun kiezers willen rechtvaardigen.''

Voor de onderzoekende geest is het syndroom van de kosteneffectiviteit de dood in de pot. 'De onbevangenheid van de wetenschap wordt nu bedreigd door de gedachte dat uitvinden en ontdekken hetzelfde zijn. Uitvinden heeft een omschreven doel, is een poging een specifiek probleem op te lossen; ontdekken is het op zoek durven gaan naar het onbekende. Ik vind het onthutsend dat de ruimtevaart zijn bestaansrecht moet bevechten door middel van het commerciële resultaat. We moeten sympathie blijven koesteren en dus bereid zijn geld uit te trekken voor wetenschappelijke ondernemingen waarvan de uitkomsten onzeker zijn. De ruimtevaart is voor ons wat de wildernis was voor onze voorvaderen.''

Creatieve chaos

Juist die openheid voor het onbekende is volgens Boorstin een fundamenteel kenmerk van de Amerikaanse maatschappij. De pioniersgeest die het land groot heeft gemaakt: het kost hem geen enkele moeite het cliché ten beste te geven. Het intrigerende van Amerika, zegt hij, is het ontbreken van ideologie. Zijn derde boek, The Genius of American Politics (1953), noemt hij een onderzoek naar de vraag waarom de Amerikanen weinig succesvol zijn in het opbouwen van politieke theorieën - en dat is maar goed ook. 'De Amerikaanse geschiedenis laat zich het beste omschrijven als creatieve chaos. Nog altijd kun je zeggen dat het land bestaat uit 250 miljoen Amerikanen op zoek naar een natie.''

Zojuist waren Boorstin en zijn vrouw en eindredacteur Ruth in Amsterdam op bezoek geweest bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. 'Daar zagen we het enige bewaard gebleven stukje van Marx' Communistisch Manifest,'' vertelt hij enthousiast. 'Wat mij verbaasde, was het geringe aantal wijzigingen in de tekst. Marx knew all the answers all right! De communisten waren vinders, ze wisten precies hoe het moest. Amerikanen zijn zoekers. En samen zoeken schept een band.''

Zo komen we op het begrip community, gemeenschap, een van de pijlers van Boorstins denken - en van de onverwoestbaar optimistische visie die hij koestert jegens de mensheid, en de Amerikaanse mens in het bijzonder. 'Gemeenschappen zijn geen produkt van een overheid of een ideologie, maar van gedeelde ervaring. Ze bestonden lang voordat regeringen waren uitgevonden. Het resultaat van de Amerikaanse ervaring is dat mensen zich bewust zijn van hun gemeenschappelijke menselijkheid. Dat is ook het thema van mijn trilogie over de Amerikanen.

'De VS zijn een gemeenschap van mensen die het over bijna alles met elkaar oneens zijn. Dat kan in Amerika. De geschiedenis van het land laat zien dat we met al onze meningsverschillen naast elkaar hebben leren leven. Al die verschillende bevolkingsgroepen hebben nooit enclaves gevormd, maar zijn altijd met elkaar in contact gebleven langs wat ik noem de fertile verge, de vruchtbare zoom. Ze hebben ook allemaal één taal gemeen: het gebroken Engels van de immigrant. Gaandeweg ontstaan er ook nieuwe gemeenschappen, bijvoorbeeld die van consumenten. Als wij allebei Marlboro-sigaretten roken, of allebei een Ford kopen, dan behoren we tot dezelfde consumptie-gemeenschap. Zonder merknamen en zonder reclame bestaat deze gemeenschap niet, maar dan nog: hij bestaat.

'Begrijp me goed, dat is geen morele verdienste waarmee de Amerikanen zich boven anderen verheffen, maar een samenloop van historische en geografische omstandigheden. Het is ook aan de weidsheid en leegte van het land, en daarmee de mobiliteit van zijn bewoners, te danken dat er hier geen etnische branden zijn geweest. Die mobiliteit heeft voorkomen dat het etnische en religieuze chauvinisme dat je nu in Joegoslavië ziet, in Amerika kon ontstaan.''

Los Angeles

Uiteraard zijn de rellen in Los Angeles van een heel andere orde dan de oorlog in ex-Joegoslavië, maar ze duiden toch niet op een sterke overtuiging dat de verschillende bevolkingsgroepen rustig naast elkaar leven. En wat betekent mobiliteit in een stad als Los Angeles die weliswaar geheel op de auto is ingericht, maar waar mensen elkaar in de razernij van de onafzienbare files doodschieten? Wat te denken van het recente bericht in de Herald Tribune over enkele Amerikaanse universiteiten die op aandringen van hun studenten overwegen toch maar op vrijwillige basis de rassenscheiding in te voeren?

'Rassenscheiding is iets walgelijks dat we onder geen beding mogen toelaten! Positieve discriminatie vind ik precies wat het woord zegt: discriminatie. Ons historisch doel moet niet zijn het scheppen van een staat van minderheden, maar een staat van Amerikanen.''

Al in het begin van de jaren zeventig gebruikte Boorstin in zijn boek Democracy and Its Discontents: Reflections on Everyday America de term balkanisering. 'Het lijkt of we de barrières die de burgers van elkaar scheiden beginnen te aanvaarden'', schreef hij, ''ja, we beginnen ze zelfs als iets wenselijks te zien.'' Twintig jaar later lijkt hij zich met zijn gelijk geen raad te weten, zo diepgeworteld is zijn geloof in Amerika als een land zonder ideologie, gebaseerd op gelijkheid, waar vernieuwing altijd mogelijk is. Bij zijn lezing in het Paleis nam Boorstin het dan ook op voor de dynamiek van de Westerse cultuur, die - volgens hem ten onrechte - in toenemende mate wordt onderschat en zelfs wordt ontkend. 'Die kracht van de Westerse cultuur komt niet voort uit macht op zichzelf, maar uit de macht van het voorbeeld.''

In een reactie na afloop van die lezing merkte een van de aanwezigen op, dat Boorstins visie hem zo romantisch voorkwam. De historicus schikt zijn vlinderstrikje, fronst de wenkbrauwen en vraagt peinzend: 'Wat kàn die man daar toch mee bedoeld hebben?''

    • Tracy Metz