Als Carmiggelt in de taxi

Het meisje zit blasé onderuit gezakt op de achterbank van de taxi. Zij heeft zich met de moed der wanhoop voorgenomen van haar wereld een dansfeest te maken en met dat doel spoedt zij zich nu naar haar bestemming.

'Ga je vanavond stappen?'' vraagt de chauffeur.

'Tuurlijk. Ik ben maandag wezen stappen, woensdag, vannacht...''

'Gaat het niet vervelen?''

'Eigenlijk wel. Maar ik verveel me nog meer als ik thuis zit.''

'Wanneer heb je nou voor het laatst een boek gelezen?''

'Een wat?''

'Een boek.''

'Wat voor boek?'

'Nou ja, een roman.''

'Eh... ik lees helemaal niet, ik hou niet van lezen.''

'Je hebt niet het idee: ik moet wat toevoegen aan mijn bestaan?''

'Nee...''

'Het zal jou een worst wezen.''

'Inderdaad. Feesten... housen.'' Er waart sinds vorig jaar een merkwaardige taxichauffeur door onze dreven. Soms is hij een erudiet met educatieve pretenties, zoals in bovenstaand fragment, soms is hij een grollende volksjongen en soms is hij een aandachtige luisteraar naar eenzame oude dametjes. Maar altijd heet hij: Maarten Spanjer. Onlangs begon hij aan een tweede serie afleveringen van zijn tv-programma Taxi bij de NCRV. Het is een met verborgen camera's opgenomen programma, waarin niets vermoedende passagiers hun hart (of een stukje daarvan) uitstorten bij de voor hen anonieme taxichauffeur. Na de opnamen wordt hun om toestemming voor uitzending gevraagd.

Taxi biedt een vorm van cinéma vérité waar ik altijd een zwak voor heb gehad: hier wordt het dagelijks leven betrapt op een manier die dichter staat bij Alleman van Bert Haanstra dan bij Bananasplit van Ralph Inbar. Spanjer provoceert zijn slachtoffers niet tot buitenissig gedrag in zorgvuldig geconstrueerde valkuilen, hij is eerder een goede interviewer die snel de juiste toon treft en zijn passagiers tot soms verbluffende monologen inspireert. In interviews heeft Spanjer wel eens gezegd dat hij een Carmiggelt-achtige sfeer in zijn programma nastreeft - en op zijn beste momenten lukt hem dat ook.

Dat is een hele prestatie, want hij zit niet, als Carmiggelt, rustig en lichtjes beneveld aan een bar. Hij is eerder een spin in het web van de tv-techniek. Volgwagens met regisseur, technici en camera's omgeven hem en zelfs in zijn kofferbak ligt nog een technicus in de aanslag. Ondertussen moet hij als chauffeur op koers blijven, botsingen vermijden én een zinnig gesprek proberen aan te knopen met mensen van velerlei pluimage.

De laatste keer waren dat, naast het wilde meisje uit het begin: een oud echtpaar dat geld had verloren in het casino (hij 400 gulden, zij alleen kwartjes); een homoseksuele Japanse mode-ontwerper (Spanjer: 'I designed leather underwear'', Japanner: 'That's wow!''); een Amerikaanse zakenman die al jarenlang vergeefs een vrouw zocht; een verstandelijk gehandicapt meisje dat door Spanjer liefdevol naar haar werkplaats werd gebracht; een vrouw met ontelbare enge ziektes ('Bij elkaar heb ik 23 operaties gehad en 24 keer gelegen'').

Maar tv-geschiedenis schreef Spanjer met een andere passagier, een oudere dame die net een stel flanellen lakens had gekocht waarover ze in een virtuoze lyriek uitbarstte. 'Ik heb altijd witte lakens gehad, maar mijn man lag veel in bed toen die ziek was, toen wou ik eens wat bontere hebben, want met die witte kun je helemaal aan het wassen blijven. En als je ze 's middags moet drogen... Dus ik nam gekleurd, met een bloem, mijn man was het daar helemaal niet mee eens. Ze hadden er maar één van, maar ik wilde ze eender op mijn bed hebben. Mijn vriendin zegt: jij bent gek, ik zeg ja maar mijn man wil geen twee verschillende lakens op zijn bed hebben en ik hou daar ook niet van. Als ik er maar één heb met paars erop, dan erger ik me dood als ik mijn bed sta op te maken, daar kan ik niet tegen, ik ben daar een tut in. En die gele gekleurde slopen kennen daar niet op, maar ik heb nog genoeg witte.''

'Mooi, dat getik van de regen tegen het raam'', onderbrak Spanjer haar voorzichtig.

'Ja, toen ik op zolder sliep, als meisje zijnde en dan dat getik op dat dak, dat vond ik altijd gezellig. In huis is het bij mij altijd stil, dan heb ik de televisie aan, en dan loop ik wekenlang alleen in huis. Maar als ik weg ben, dan ken ik niet zo goed tegen de stilte.''

'Oh, daar heb ik niets van gemerkt.''

'Er zijn weken dat ik mijn bek niet opendoet.''

'Meent u dat nou?''

''Als je alleen in huis loopt... dat heb ik al veertien jaar. Dan gaat de telefoon en dan zeggen ze: wat ben je schor, en dan zeg ik: vind je het gek als je alweer een week je bek niet hebt opengedaan. Ik zeg nooit wat tegen iemand, ze zeggen niet eens gedag, en dan doe ik mijn deurtje op de knip en dan ben ik binnen.''

Een week eerder had Spanjer een al even ontwapenend gesprek met een hervormde dame van 86 jaar. Ze had vanaf haar dertiende in sjieke kringen - naar haar vocabulaire te oordelen - als huishoudster gewerkt en had altijd alléén geleefd. 'Alleen maar gewerkt?'' vroeg Spanjer peinzend. 'Alleen maar gewerkt'', zei ze zonder wrok. 'Alleen maar gekeken naar wat een ander had. Ik heb het zelf nooit gesmaakt, noch de gezelligheid van het samenzijn, noch een jong gezin. Maar ja, dat is de wil van God geweest. Er gebeurt niets bij geval.''

Als je mensen zó aan de praat krijgt, ontstaat er vanzelf mooie televisie. Het is dan ook volkomen overbodig om de filmpjes steeds weer af te wisselen met een onnozel studiogesprek met een bekende Nederlander. Het is alsof ze bij de NCRV gedacht hebben: dit programma wordt te aardig, hier moeten we iets aan doen.

Er zit, onbedoeld, een wrange kant aan het programma waarvan ik me afvraag of Spanjer zich ervan bewust is. Vooral de oudere, vereenzaamde passagiers tonen zich telkens verheugd over het feit dat ze eindelijk eens een goed, lang gesprek met iemand kunnen hebben. Het moet voor sommigen een hele deceptie zijn als achteraf blijkt dat de interesse louter beroepsmatig was. Spanjer is de voyeur, en wij doen hetzelfde, al hebben we een neutraler woord voor onszelf gevonden: kijkers.

    • Frits Abrahams