Stonehenge in Mali; Antieke sieraden en koningskoppen langs de Niger

Het westerse beeld van de Afrikaanse cultuur is vooral gebaseerd op voorwerpen uit de periode 1880-1940. Dat de onafhankelijke Afrikaanse staten wat het verre verleden betreft voor niemand onder hoeven te doen, blijkt op een expositie in Leiden. “De schoonheid van de kop van een Oni-koning uit Nigeria, slaat de kijker met dezelfde stomheid als het hoofd van Nefertite, vorstin aan die andere Afrikaanse rivier, de Nijl.”

Langs de Niger. Oude culturen in West-Afrika. Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenstraat 1, Leiden. T/m 10 mei. Di t/m vr 10-17u, zo 12-17u. Brochure 22 blz, prijs ƒ 7,50. Catalogus (Franstalig) 573 blz. Prijs ƒ 166,50.

In West-Europa zal het niet zo snel meer gebeuren dat er opeens voorwerpen uit de grond komen die wijzen op het bestaan van een volkomen onbekende cultuur. In Afrika komt dat nog wel voor. In 1975 vond een jongeman in een dorpje in het noordwesten van Niger tijdens de jacht twee hoofden van aardewerk. Hij nam ze mee naar het dorp en liet er kinderen mee spelen. Een paar jaar later vertelde hij over de koppen aan zijn oudere broer, chauffeur bij een antropologisch instituut in Niamey. De broer rapporteerde de vondst en in 1983 ontdekten Nigeriaanse archeologen de necropool Bura-Asinda-Sikka.

In het museum voor Volkenkunde in Leiden zijn nu een aantal vondsten uit deze necropool te zien. Het zijn vrij platte koppen van rood aardewerk, met dunne strepen als ogen en mond en op allerlei manieren geboetseerde neuzen. De koppen rusten op lange nekken. Soms zijn er boven en onder de ogen gleuven in de klei gekerfd. Ze lijken te slapen. Maar er zijn in Bura ook meer realistische koppen gevonden met ronde ogen en mondjes, die de beelden een verbaasde uitdrukking geven. Het spectaculairst is een man die tot zijn heupen is teruggevonden. Het is een ruiter, want ook het extreem lange hoofd van zijn paard is uit de aarde tevoorschijn gekomen. Met één met sieraden beladen arm houdt hij losjes de teugels vast.

Deze ruiter is een van de pronkstukken op de voorbeeldige expositie Langs de Niger, oude culturen in West-Afrika die nu in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden te zien is. 150 voorwerpen uit Burkina Faso, Guinee, Mali, Mauretanië, Niger en Nigeria, de landen waar de rivier de Niger doorheen stroomt, zijn hier samengebracht. Ze geven een heel ander beeld van Afrikaanse culturen dan de bezoekers van volkenkundige musea doorgaans te zien krijgen. Het merendeel van de objecten is pas de laatste twintig jaar opgegraven en behoort daarom tot de collectie van de musea in de zes West-Afrikaanse landen.

Visseschubben

De oudste voorwerpen die men in de buurt van de Niger heeft gevonden, werktuigen en schalen, zijn vierduizend jaar oud. Het oudste voorwerp op de expositie is een ronde pot van klei uit het tweede millennium v. Chr., bedekt met een patroon van kleine driehoekjes, visseschubben. De pot werd gevonden in Niger, waar dergelijke potten nog steeds voorkomen. Maar voor de meeste voorwerpen is zo'n eeuwenlange traditie niet aan te wijzen. De voorwerpen getuigen van eeuwen geleden verdwenen beschavingen. De meeste objecten zijn van aardewerk, maar er is ook ijzer, messing, goud en zelfs textiel.

In de eerste zaal staat bijvoorbeeld een bijna manshoge, fallusvormige monoliet, afkomstig van een soort Malinees Stonehenge uit de zevende eeuw na Christus. Drie zalen verder staat een geraffineerd realistische koningskop van messing uit elfde-eeuws Nigeria te glimmen. In dezelfde zaal staat een kleine maquette van een Mauretaanse moskee bij Kumbi Saleh, waarvan de fundamenten onlangs zijn blootgelegd. Deze grote moskee, een zuilenwoud, dateert voor een deel uit de tiende eeuw na Chr. en is daarmee de oudst bekende moskee van West-Afrika. Achter glas ligt een maar voor de helft vergane blauw-wit geblokte tuniek van de Tellem uit een grafgrot in Mali, daterend uit de elfde of twaalfde eeuw. De tentoonstelling besluit met een koperen ram uit Benin, een prachtdier, dat van zijn achttiende-eeuwse maker alles heeft gekregen wat een ram moet hebben om zijn soort glorieus te vertegenwoordigen.

Afrika is in westerse ogen lang een continent zonder verleden geweest, een continent waarvan de geschiedenis pas begon na de contacten met Europa, al was er wel iets bekend over legendarische middeleeuwse rijken als Ghana en steden als Timboektoe (Tombouctou). Archeologisch onderzoek is door de westerse kolonisatoren bijna niet verricht. Het beeld van de Afrikaanse cultuur dat de volkenkundige musea in het Westen geven is vooral gebaseerd op voorwerpen uit de periode 1880- 1940. De onafhankelijke Afrikaanse staten gaan nu op zoek naar hun eigen geschiedenis. Ook wat het verre verleden betreft hoeven ze voor niemand onder te doen, is de boodschap van deze expositie. De beschavingen langs de Niger zijn minstens zo oud als die langs de Nijl, meldt de catalogus trots.

Plundering

Systematische opgravingen hebben eigenlijk pas de laatste twintig jaar in West-Afrika plaats. Voor kennis van het verleden zijn ze misschien nog belangrijker dan in Europa, omdat materiële overblijfselen vaak de enige getuigenissen zijn van culturen die lang schriftloos zijn gebleven en waarover met enig geluk alleen in vroege Arabische bronnen wat geschreven informatie is te vinden. De plundering van het Afrikaanse bodemarchief door illegale schatgravers richt nu veel schade aan; voorwerpen komen wel tevoorschijn en komen uiteindelijk misschien wel in een museum terecht, maar hun context zijn ze onherroepelijk verloren. Misschien wordt daardoor nooit meer duidelijk waar ze precies vandaan komen, wat voor doel ze dienden en zelfs niet hoe oud ze zijn.

De koppen uit Bura is dat lot bespaard gebleven. Zij zwijgen niet omdat ze door archeologen zijn opgegraven. Waarschijnlijk zijn de koppen een soort portretten van overledenen die gebruikt werden bij een begrafenisritueel. De koppen waren bevestigd op grote, meestal ronde potten, die schedels en soms botten bevatten. De archeologen hebben kunnen vaststellen dat dit evenwel geen overblijfselen van de overlevenden zijn, omdat er in de pot nooit een compleet skelet werd aangetroffen. Anderhalve meter onder het aardewerk werden wel complete skeletten aangetroffen. De archeologen vermoedden nu dat de botten in de potten afkomstig zijn van een 'bewaker', een slaaf of echtgenote, die de belangrijke overledene moest beschermen. Nog steeds is er veel onderzoek in Bura nodig, een preciezere datering dan 'tussen de derde en de elfde eeuw' na Christus is van dit aardewerk niet te geven.

De expositie in het museum voor Volkenkunde zal doorreizen naar Amerika en daarna de zes betrokken Afrikaanse landen aandoen. Eerder was de expositie al te zien in Frankrijk, dat de expositie mede georganiseerd heeft. De deelnemende Afrikaanse landen behoorden, op Nigeria na, alle tot Frans koloniaal Afrika. De expositie bevat ook voorwerpen die zijn opgegraven door Nederlandse specialisten.

Hoewel er aan het begin van de expositie een bordje hangt dat de aandacht vraagt voor de sociaal-historische context waarin de objecten hebben gefunctioneerd, draait het op de tentoonstelling vooral om de esthetiek. Tekstbordjes kunnen nu eenmaal niet al te veel informatie bevatten. De voorwerpen zijn vaak ook zo schitterend dat behoefte aan informatie niet direct opkomt. De bovenmenselijke schoonheid van de kop van een Oni-koning uit Nigeria, slaat de kijker met dezelfde stomheid als het hoofd van Nefertite, vorstin aan die andere Afrikaanse rivier, de Nijl. Maar toch rijzen ook hier snel vragen: wat doen die gaatjes op zijn voorhoofd en rond zijn mond? De catalogus geeft antwoord: waarschijnlijk werden er sieraden in bevestigd als het hoofd tijdens rituelen moest optreden.

De catalogus geeft niet alleen op zulke eenvoudige vragen antwoord. In bijna 600 pagina's wordt zoveel mogelijk kennis over het verre verleden van het Nigergebied opgedist: van linguistische verwantschappen tussen verschillende volkeren tot de diverse vissen die sinds het ontstaan van de Niger in de rivier hebben gezwommen. Maar ook dergelijk informatie slaat terug op de objecten, getuige het in 1970 gevonden piepkleine beeldje van een meerval. Waarvoor het diende weet helaas nog niemand.