Schindler's List 1

In zijn beschouwing van Schindler's List ('Kampbeulen zijn er altijd, overal', CS 4 maart) noteert Ian Buruma twee stellingen van Primo Levi.

De eerste luidt: 'Begrip komt neer op rechtvaardiging. Omdat er geen rechtvaardiging kan zijn voor wat de nazi's hebben aangericht, is het onmogelijk de daders te begrijpen.' Hierin, schrijft Buruma heeft Levi gelijk.

Als tweede: 'De nazi's waren onbegrijpelijk door hun onmenselijkheid. Zij waren in letterlijke zin demonisch. Een fatsoenlijk mens kan zich daarom onmogelijk inleven in de geest van een Himmler of een Heydrich.' Hierin heeft Levi volgens Buruma ongelijk, want schrijft hij: 'De beulen en hun meesters waren maar al te menselijk, dat maakt hen juist zo angstaanjagend.'

Dit nu is tegenstrijdig. In feite, beweert Buruma, zouden wij ons op basis van die al te menselijkheid wél in zulke geesten kunnen inleven. Maar dat impliceert volgens mij dan toch enig begrip omdat inleving nu eenmaal langs zulke lijnen verloopt. Niemand kan zich immers inleven in iets wat hem totaal wezensvreemd is.

Dat gewone mensen, grijze conformisten zoals Buruma terecht stelt, onder bepaalde omstandigheden tot praktisch alles in staat zijn heeft overigens het beruchte Milgram-gehoorzaamheidsexperiment uit 1963 bewezen. Voor Levi zijn de daders demonen, daarom is zijn tweede uitspraak een logische consequentie van de eerste. Gaan wij echter uit van daders als gewone mensen dan klopt ook Levi's eerste uitspraak niet.

Toch wil ik niet volstaan met een logische deductie. Op zichzelf genomen lijkt mij de gelijkstelling tussen begrip en rechtvaardiging aanvechtbaar. Want het inzicht dat ik in het karakter en de motieven van anderen kan hebben betekent nog niet dat ik de handelingen die daaruit voortvloeien legitimeer.