Minsk worstelt met onafhankelijkheid

Twee jaar lang is de politieke, economische en militaire elite van Wit-Rusland onwennig en zelfs onwillig omgesprongen met de onafhankelijkheid die het bij het uiteenvallen van de Sovjet-Unie opgedrongen kreeg. Maar juist nu men in Minsk mogelijkheden ziet de banden met Rusland stevig aan te halen, beginnen bedenkingen door te sijpelen.

In Wit-Rusland wordt de dienst nog in hoge mate uitgemaakt door communistische politici en conservatieve managers van staatsbedrijven en directeuren van staatsboerderijen; bovendien is nergens buiten Rusland de affiniteit met Rusland en de Russen zo groot als hier. Wit-Rusland is sinds 1772 onder controle van Rusland en in het Sovjet-tijdperk zijn de Witrussen in hoge mate met de Russen geassimileerd. Slechts vier procent van de bevolking spreekt Witrussisch en de meeste inwoners maken zich ook niet druk over de vraag in hoeverre een etnische Witrus zich onderscheidt van een Rus.

De enige in die Witrussische leiding die zich de afgelopen jaren heeft beijverd om - tegen de zin van een conservatief parlement - de onafhankelijkheid zin en vorm te geven en die zich bovendien heeft ingespannen voor economische hervormingen en democratisering was Stanislav Sjoesjkjevitsj, voorzitter van het parlement en staatshoofd van Wit-Rusland. De democratische oppositie bezet maar tien procent van de zetels in de Opperste Sovjet en alleen zij en de hervormingsgezinde vakbonden steunden de president. Sjoesjkjevitsj' permanente conflict met het parlement (en zijn premier, Vjatsjeslav Kebitsj) heeft lang veel weggehad van een verbaal uitgevochten guerrilla, die uiteindelijk vorige maand uitliep op het vertrek van Sjoesjkjevitsj. Het parlement stuurde hem op beschuldiging van corruptie - duidelijk een voorwendsel - naar huis, nadat ze eerst zijn belangrijkste bondgenoten, het hoofd van de Witrussische KGB en de minister van binnenlandse zaken, aan de kant had gezet. Zijn opvolger werd Mjetsjislav Grib, een hardliner en ex-KGB-generaal.

De hervorminsgezinde president heeft binnen de bevolking nooit erg veel aanhang gehad. Volgens opiniepeilingen vindt meer dan de helft van de Witrussen dat alleen “een economische alliantie” met Rusland verbetering kan brengen. Het aantal voorstanders van privé-bezit van grond en produktiemiddelen daalt gestaag; op het platteland is zelfs maar 13 procent van de bevolking voor dergelijk particulier bezit.

Sinds Sjoesjkjevitsj' uitschakeling hebben de conservatieven en de voorstanders van een integratie met Rusland, premier Kebitsj voorop, vrij spel gehad. Zij betogen dat de onafhankelijkheid Wit-Rusland alleen maar windeieren heeft gelegd. De economie is zo nauw verweven met de Russische dat ze niet zonder de Russische markt kan overleven. Grondstoffen en energie moeten uit Rusland worden ingevoerd, voor wereldmarktprijzen die Wit-Rusland niet kan opbrengen. De levensstandaard is gigantisch gedaald en de inflatie bedraagt 50 procent per maand.

Vorig jaar werd al - ondanks verzet van Sjoesjkjevitsj - besloten tot toetreding tot het collectieve veiligheidspact van het GOS. Vorige maand werd door de premiers Kebitsj en Tsjernomyrdin een akkoord bereikt over een monetaire unie. Die unie voorzag in de aanpassing van het monetaire, fiscale en begrotingsbeleid van Wit-Rusland aan dat van Rusland en toetreding van Wit-Rusland tot de roebelzone; de zwakke Witrussische roebel, bekend als zaitsjik (haas), zou één op één met de Russische roebel kunnen worden ingewisseld en verdwijnen. In ruil daarvoor zou Wit-Rusland grondstoffen en energie kunnen kopen voor de gesubsidieerde prijzen van de Russische binnenlandse markt. Dat economen bezwaar maakten tegen de opgave van althans de economische onafhankelijkheid werd door de nieuwe machthebbers geen bezwaar gevonden: velen van hen vonden de onafhankelijkheid sowieso geen goed idee.

Sterker nog: steeds meer politieke leiders bepleiten de vorming van een federatie of confederatie met Rusland. De pro-communistische Volksbeweging van Wit-Rusland van Sjarhej Hajdoekjevitsj eist zelfs dat Wit-Rusland zijn neutrale status opgeeft en de belofte herroept om alle kernwapens te vernietigen.

Het streven naar integratie met Rusland gaat gepaard met een restauratie van het centralistische bestuurssysteem. Op 1 maart nog hekelde Kebitsj in het parlement de pogingen “de huidige constitutionele structuur, dat wil zeggen het instituut van de Sovjet-volksafgevaardigden, te veranderen, de geschiedenis van Wit-Rusland te politiseren en russofobie in te planten in de sociale mentaliteit”. Hij kondigde een “versterking van het staatsbestuur” aan: ministeries moeten meer zeggenschap krijgen en centrale organen moeten worden versterkt. De relaties met Rusland, aldus Kebitsj, vormen “zonder twijfel” de eerste prioriteit en het aanhalen van de banden met Moskou werd bestempeld als “een weloverwogen historische keus”.

Steeds duidelijker echter waarschuwen economen dat die integratie wel eens kan neerkomen op een volledige subordinatie en dat Rusland de voorwaarden voortdurend verzwaart. De voorzitter van de Centrale Bank in Minsk, Stanislav Bogdankjevitsj, zei deze week dat de monetaire unie “onmogelijk” is onder de strenge voorwaarden van Moskou, die niet overeenkomen met wat in januari is afgesproken. Zo wil Moskou de Witrussische roebel nu inwisselen volgens een koers van drie tegen één. De prijzen voor Russische grondstoffen en energie zijn ook niet langer die van de binnenlandse markt in Rusland, maar onderwerp van 'nader overleg'. Bogdankjevitsj: “Wit-Rusland wordt een bijkantoor van de Russische Centrale Bank. Daarom tekent Kebitsj het akkoord niet. We hebben geen zelfmoordbeluste mensen in de regering.” Wat Bogdankjevitsj betreft hoeft die integratie met Rusland niet meer: ““Witrussen hebben de illusie dat het roebelakkoord tot verbeteringen leidt. Maar het leidt tot verslechtering. We hebben hier geen markteconomie. We hebben alleen een marktfraseologie.”