Maas streeft naar laatste perfecte sprong

Met zijn vierde plaats bij het WK indoor was hij vorig jaar de beste Nederlander. Dit jaar voldeed hij niet eens aan de limiet voor het EK indoor, dat vandaag in Parijs is begonnen. Toch heeft de atletiekbond hem in de nationale delegatie opgenomen. Bij wijze van eerbewijs aan een begenadigde verspringer, die ook in zijn laatste jaar blijft streven naar 'de perfecte sprong'.

GOES, 11 MAART. Was hij tien jaar jonger, hij weet niet of hij opnieuw voor het verspringersbestaan zou kiezen. Weer die pijn die steeds maar terugkeert. Weer die dwang om te presteren. Weer die betweterige bestuurders en gewetenloze wedstrijdmakelaars.

Zoveel wat hij moest doen, zoveel wat hij moest laten. Zo weinig kreeg hij daarvoor terug. Financieel-maatschappelijk is hij nog net zover als veertien jaar geleden toen trainer Peter van Wijk zich over hem ontfermde. “Ik had niks en ik heb nog niks. Daar word je bijna dertig voor.”

Als hij kijkt naar zijn vrienden van dezelfde leeftijd. Die hebben het zo slecht nog niet bekeken. Een eigen huisje, auto, kinderen. Dat zou hij ook wel willen. “Gewoon salaris waarvan je kunt leven. Dat je een loonstrookje krijgt.”

Hij krijgt alleen vergoedingen. Van NOC*NSF, atletiekbond, stichting Rotterdam Topsport. Zijn vrouw zorgt voor het brood op de plank. Ook al blijven buitenstaanders dat onbegrijpelijk vinden. Wat doet hij dan naast het verspringen? Alleen verspringen? Dus hij is huisman? Steeds zichzelf te moeten rechtvaardigen, hij wordt er zo moe van. “Konden ze maar begrijpen dat springen mijn vak is. Maar zo wordt topsport niet gezien.”

Nooit kreeg hij de waardering die hij verdiende. Europees indoorkampioen in 1988, derde in 1989, vierde een jaar later bij de Europese outdoor-titelstrijd in Split, vierde vorig jaar nog bij het WK-indoor in Toronto. Elf jaar lang doet hij nu al aan internationale wedstrijden mee en zes van de laatste zeven seizoenen sprong hij meer dan acht meter. Weinig springers in de wereld met zo'n staat van dienst.

Maar voor de wedstrijdorganisatoren ben je zo goed als je laatste prestatie. En als het even minder gaat, als je weer eens geplaagd wordt door een blessure, dan lig je eruit. Dan mag je al blij zijn als je zonder betaling kunt meedoen. “Dan mag je als vulling je kunstje vertonen. Alles draait om de toppers. Daar hoef je toch geen dertig voor te worden?”

Die “maffia-praktijken” zijn hem steeds meer gaan tegenstaan. Net zoals hij het beu is om keihard te trainen, terwijl hij in wedstrijden niet verder komt dan 7,60, 7,70 meter, afstanden waar hij zich te groot voor voelt. “Juniorensprongetjes.” Reden dat hij stopt met topsport aan het eind van dit seizoen. “Het is mooi geweest.”

“Zo gruwelijk teleurgesteld” was hij na het mislukte WK van vorig jaar. Het jaar daarvoor had hij ook al een sofseizoen beleefd, waardoor hij voor de tweede achtereenvolgende keer de Olympische Spelen had gemist. Maar in 1993 leek het hem eindelijk weer eens voor de wind te gaan. In het Italiaanse Sestrière had hij 8,16 meter gesprongen, de op een na beste prestatie van zijn sportersbestaan, al was het dan met teveel ruggesteun. Drie weken later bij de mondiale titelstrijd in Stuttgart had hij zich zeker gewaand van een finaleplaats. Tot zijn achillespezen begonnen te kermen, al bij de allereerste sprong. Hij had nog geprobeerd die noodsignalen te negeren, “de pijn gewoon uit te schakelen”, zoals hij wel eerder had gedaan. Maar bij de tweede sprong kwam hij niet eens meer aan de afzet toe. “Waar doe ik het nog voor”, vroeg hij zich vol vertwijfeling af.

Achteraf had hij nog heviger “gebaald”. Dat was toen hij de uitslagen zag. Acht meter zestien was goed voor zilver geweest, acht meter vijftien won brons, nummer vier sprong maar acht meter vijf. Hij realiseerde zich dat een medaille binnen zijn bereik had gelegen. Als hij maar had kunnen tonen wat hij in zich had.

Dit seizoen ging het meteen ook alweer mis, al bij de tweede wedstrijd. Terwijl hij dat “niet kan gebruiken”. “Ik wil nog één keer laten zien wat ik kan.” Opnieuw waren het de pezen die protesteerden. Niet verwonderlijk na al die jaren van overbelasting, waarbij de voeten bij elke afzet acht tot tien keer het lichaamsgewicht moesten torsen. “Het lichaam geeft aan dat ik de grens van het toelaatbare nader. Het eind is in zicht.”

Toch zou hij zijn carriere graag “op een goeie manier” afsluiten. Daarom gaat hij niet door tot Atlanta zoals hem door 'de experts' geadviseerd wordt. Hij moet er niet aan denken om “te sukkelen van blessure naar blessure”. Om “zielig te worden gevonden”. Hij is ook bang dat hij de nodige inzet niet meer kan opbrengen. Waar hij op hoopt, waar hij naar streeft: “Nog één keer de perfecte sprong.”

Daarvoor heeft hij zich steeds weer ingespannen. Daarvoor heeft hij zich al die pijn en moeite getroost. Voor vijf perfecte sprongen. Vijf perfecte sprongen in veertien jaar. Was dat waanzin? Zijn spieren herinneren zich nog steeds die sensatie. Voor hem was het de moeite waard.

Dat heeft de sport hem toch maar gegeven. Naast die paar goeie vriendschappen die zijn leven warmte schenken. Zoals de sport hem ook heeft gevormd van “stil verlegen mannetje” tot “volwassen vent”.

Hij is toe aan een nieuwe sprong voorwaarts. Het idee dat het over een half jaar is afgelopen, knijpt zijn keel dicht maar lucht tegelijkertijd op. Lekker stappen met vrienden. “Sport is zo eenzijdig”, verzucht hij. “Alles draait om jezelf. Heerlijk om eindelijk ook eens over andere mensen na te denken. Om te laten zien dat ik meer dan verspringen kan.”

Maar voor die tijd wil hij “nog één echte klapper maken”. Hij weet ook wel dat hij “op puur natuur” nooit boven de 8,50 kan komen, laat staan dat hij het wereldrecord van 8,96 zou kunnen benaderen. Met 8,20, 8,30 zou hij al tevreden zijn. “Staan en gaan. Gewoon springen. Doen wat ik kan.”

    • Dick Wittenberg