Liever geen nieuw Zonnestraal

Sanatorium Zonnestraal in Hilversum, in 1928 gebouwd door de architecten Duiker en Bijvoet, is al jaren niet meer in gebruik. Het verval grijpt om zich heen, maar nu zijn er plannen voor restauratie van dit monument van functionalistische architectuur.

Wim Crouwel sprak gisteren op het symposium 'De tijd is rijp' en liet enkele scenario's voor herstel de revue passeren. Hij ziet niets in restauratie volgens de filosofie van vandaag.

Ik koester dat beeld van die foto, die genomen werd op 12 juni 1928, 162 dagen voordat ik zelf op de wereld kwam. Een contrastrijke foto met sterke schaduwen; het moet een warme dag zijn geweest. De dames en heren, veelal nog met overjassen en hoeden, komen als uit de tijd van ver voor Zonnestraal. Slechts de reformachtige kleding van enkele vrouwen verraadt misschien iets van hun geestelijke beweegredenen. De mannen dragen zeker nog lang ondergoed. Driedelig en donker is praktisch elk pak met hier en daar een vadermoordenaar en zowaar ontdek je een jacquetcostuum.

Het gebouw staat er uitdagend, frank en vrij bij. Het heeft z'n overjas uitgetrokken, z'n hoed afgezet en maakt van z'n hart geen moordkuil.

Aan die foto lees ik altijd het beste af hoe afgrijselijk deze architectuur gevonden moet zijn. Geen gezellige donkere hoekjes. Geen gordijnen om je achter te verbergen of het licht buiten te sluiten. Geen gêne voor het ongedecoreerde. Als het met drie centimeter kan, dan zeker geen vier. Als er nog wat kan worden weggelaten, dan zeker doen. Maar toch die elegante gebogen muurtjes, waar die ene meneer met een zomerkostuum tegenaan geleund staat. Zie de openstaande ragdunne ramen; het gebouw staat nog droog te worden. En dat intrigerende trapvormig toneeltje met bloempotten, dat een uitbouw voor de techniek in het ketelhuis is. De gebouwen zijn met een ontwapenende eenvoud opgetrokken, en zeker niet voor de eeuwigheid. Functionalistische architectuur willen bewaren voor het nageslacht is ook vandaag weer de reden van onze samenkomst en dat, terwijl we weten, dat hier sprake is van een pure ongerijmdheid.

Zeker bij Zonnestraal, die realisatie van het uiterste functionalisme, redeneren we onszelf naar een onmogelijke, maar o zo verlangde oplossing toe.

De ontstaansgeschiedenis van Zonnestraal wordt gekenmerkt door een voortdurend gevecht met geldzorgen. Jarenlang worden Duiker en Bijvoet beziggehouden met het werken aan plannen en kleine gebouwtjes, aan aanpassingen en opstallen. Het landgoed Pampahoeve is bezaaid met de economie van het idealisme. Dat het jarenlange plannenmaken toch ook heeft geleid tot een samenhangend centraal gebouwencomplex is een wonder op zichzelf. Maar het grootste wonder is, dat economie van middelen en noodzaak als drijfveer, hebben geleid tot de zuiverste uitgekristalliseerde architectuur die in dit land van zuinige handelaars kon worden voortgebracht. Zelfs in de huidige deplorabele toestand onderga je de betovering.

De afgelopen maand ben ik er nog eens heengegaan. Een asfaltvlakte met keurige parkeerbelijningen als zijn de auto's zojuist weggereden. De bewegwijzering van het ziekenhuis, naar opname en receptie, leidt je naar niets meer. De lege hoofdgebouwen werken nog vervreemdender dan de ruïne van het Dresselhuys-paviljoen. Alleen het hart werkt nog, het geluid van de verwarmingspompen beklemtoont de stilte die er heerst. Slechts in het bouwlichaam dat groeide uit het Henri ter Meulen-paviljoen en in enkele barakken daar in de buurt, is nog wat beweging.

Als een vertraagde film beleef ik mijn wandeling langs de restanten van de droom van Ome Jan van Zutphen. De lompe aluminium raamprofielen brengen me op de 1 op 100 tekeningen van Duiker, zoals ik deze mocht exposeren op mijn laatste tentoonstelling in Boymans-van Beuningen over 1928. Van dun ijzer waren ze, weergegeven in een enkele dunne inktlijn. Ze suggereren het vlies van glas, dat gespannen was tussen dakscherm en borstwering. Voortdurend zoek ik plekken, die het originele beeld kunnen oproepen; het wordt je niet gemakkelijk gemaakt. Naast de vierkante schoorsteen van baksteen bevinden zich nog de resten van de oude beeldbepalende schoorsteen; in de cilindervormige watertankombouw zijn de gaten zichtbaar waar eens buizen door liepen.

Iets van de ontsluitingsmuurtjes is nog aanwezig. Hier en daar tref ik nog een oorspronkelijke raamindeling aan in ijzeren profielen. Ook de Duikeriaanse uitgebouwde wenteltrap in de zuidgevel is nog te ontwaren. En de balkonnetjes als hoekafsnijdenden overstapjes aan de eetzaal, evenals de verjongde balken voor de dakranden.

Al dit soort herkenningspunten werken als kostbare archeologische vondsten, te midden van onbegrepen aanpassingen die het oude vertrouwde beeld van de geliefde foto's trachten te verdoezelen. Iemand schreef eens, dat we onze architectonische monumenten hoofdzakelijk kennen door middel van die fotografie. Bij Zonnestraal is dat zeker het geval; noodgedwongen. Er is alles aan gedaan om het geheel onherkenbaar te maken. Met de aluminium puien, met metselwerk, met aanbouwingen, met afsluitingen en verplaatsingen.

Na elk bezoek had ik altijd de aandrang om me te verdiepen in de uitgaven over Duiker. Om mijn geheugen op te frissen en om wat ik gezien had te vergelijken met de oorspronkelijke situaties. Iedere keer weer is het hartverwarmend en tegelijk aandoenlijk om het analyserende werk en de tekeningen van de Duikergroep uit Delft uit 1982 te lezen. En vooral de terloopse opmerkingen, dat hier en daar de oplossingen onverwacht en niet logisch zijn.

Ik haal een kernmerkende zin aan:... “Merkwaardig is, dat de ontwerpers met dit uitgekiend aandoende constructie-principe niet consequent omgaan”... Zulke opmerkingen als gevolg van die analyses, maken glashelder duidelijk, dat architectuur niet een optelsom van logische beslissingen is. Zelfs niet in een tijd dat je logica verwacht en zeker van Duiker. De inconsequenties en pragmatische afwijkingen, de dwaalwegen en verrassende wendingen bepalen de poëzie van deze architectuur in hoge mate.

Intrigerend is bij Duiker vooral ook het omgaan met en het doorbreken van symmetrie. Alsof hij nog steeds de vanzelfsprekendheid van die symmetrie uit de voorgaande periode niet kan loslaten en er via het eisenprogramma toch een discussie mee aangaat. Niet alleen in de architectuur maar ook in het totale plan van hoofdgebouwen met symmetrisch gesitueerde paviljoens.

Ik had mijn academie opleiding in het schoolgebouw van Wiebenga en Van der Vlugt uit 1924 in Groningen. Een van de eerste gebouwen die de periode van het functionalisme inluidden. Ook zo'n symmetrie die in contrast staat met de zakelijke opbouw. Daar werd het geheel nog geholpen door een monumentale ingang en met expressionistisch tegelwerk. Ten opzichte van dit begin uit 1924 is het werk van Duiker drie à vier jaar later de grote doorbraak. Met Zonnestraal als letterlijk stralend hoogtepunt.

Zonnestraal is natuurlijk dubbel scherp door de situering in de natuur. Praktisch alle nieuwzakelijke gebouwen uit de hoogtijdagen staan in een stedelijke omgeving. Het contrast met het bos is haast surreëel.

In een conferentie van DOCOMOMO in 1990 zei Wessel Reinink over de controverse tussen functionalisme en restauratie het volgende:

“If we follow the trend of thought that a building should represent both a utopian ideal and the impossibility of that ideal (Heidegger), this acquires especially great momentum in the case of the avant-garde buildings of the Modern Movement; these dialectics were, so to say, built into the structure, as a self destructor bij the time that the buildings functions stops. Duiker, the architect of Zonnestraal, wanted primarily premises for the functions and he clad these by a structure which also expressed a utopian dimension. As soon as the fysical functions cease to exist, the envelope has no reason for existence anymore. This is the slow-motion time bomb the next generations have to face as far as the physical functions are concerned”...

En hij pleit voor het behoud van het Dresselhuys-paviljoen als ruïne.

Er is veel voor te zeggen, zeker in het licht van het surrealistische geheel waarover ik het hiervoor had. We moeten ons echter wel realiseren, dat deze ruïne misschien nog 50 jaar iets toont en daarna zo goed als verdwenen zal zijn. De vegetatie rukt op en planten worden bomen, die alles uit elkaar zullen drukken. Het is een romantisch idee, maar ook deze vorm van romantiek staat haaks op de nuchtere gedachtengang van Duiker.

Lang heb ik gedacht, dat we deze architectuurperiode het beste eren, door inderdaad puur te reconstrueren. Maar dan ook zeer precies, volgens de oorspronkelijke bouwtekeningen en bestekken. en vooral geen nieuwe functie zoeken voor het eindresultaat! Die enkele hoogtepunten mogen we toch wel koesteren zonder een kostwinner in huis! Leeg laten staan en goed onderhouden, zodat we erin kunnen ronddwalen. Zodat we onze gedachten de vrije loop kunnen laten en misschien wel het gierende hoesten boven de sputumbakjes van de TBC patiënten horen. Voor ons voorstellings- en inlevingsvermogen zou dit het mooiste hulpmiddel zijn.

Laat het bos groeien en dichter worden. Nadat we dan langs smalle paden ernaartoe zijn geleid, zal het oog in oog staan met dit pure complex een schok teweeg brengen, die geen foto kan bewerkstelligen. Architectuurtheater van de hoogste orde.

Ik weet, dat er een spanning bestaat tussen de beleving van authenticiteit en de mogelijkheid om de ruimtelijkheid en detaillering te kunnen ondergaan in een reconstructie. Ik zou me er echter niet door laten afleiden.

Ik wil ook niet te licht voorbijgaan aan de gedachtengang van Wessel Reinink, die is zuiver en intrigerend tegelijk en brengt daarenboven de discussie met de minste moeite definitief tot een einde. Ik laat me er echter ook niet volledig door overtuigen.

Ik zou kunnen leven met de ruïne van het Dresselhuys-paviljoen voor de authenticiteit, maar dan wel overkapt, met een immense glazen constructie om het vervalproces zoveel mogelijk af te stoppen. De begroeiing kan dan worden gereguleerd als in een botanische tuin.

Graag zou ik de andere gebouwen toch restaureren. Zo gaat een balans ontstaan tussen reconstructie van de werkelijkheid en authentieke werkelijkheid in de ruïne, tussen nieuw en verval. Een belevenis dus, een drama in twee bedrijven.

Ik realiseer me, dat dit particuliere dromen zijn, ontdaan van veel werkelijkheidszin. Reconstructie van een dergelijk complex in dit land, op dit moment, in de gegeven omstandigheden, zou alleen maar door een wonder zijn uit te voeren. Het schaduwscenario moeten we onder ogen zien. Ik geef het maar in overweging.

Kleed de gebouwen uit tot op alle originele delen; het skelet, de fragmenten en conserveer deze restanten op de open plek in het bos, als een plastisch bewijs dat het er eens echt stond. En zorg daar goed voor. De ruïne van het Dresselhuys-paviljoen blijft bestaan, doch wel in mijn super kas! Ergens daar in de buurt een kleine documentatie met foto's en beschrijvingen van het verleden. Het geheel als bedevaartsoord voor de architectuur.

Maar spaar ons een restauratie in de filosofie van vandaag. Met behoud van de sporen van bewoning voor de jaren van bestaan en met aanpassingen voor een nieuwe bestemming. Dat is het ergste wat een jong monument juist in deze periode kan overkomen.

    • Wim Crouwel
    • Thans