Industriesprookjes

“De kleur is goed.” Met deze woorden nam premier Ruud Lubbers de brochure 'Nederland moet kiezen; voor méér werk in bedrijven. Voor een sterke industrie. Voor internationale concurrentiekracht' in ontvangst. Het oranje-kaft zal zeker opvallen tussen de stapel grijze dossiers die de kabinets(in)formateur deze zomer moet doorworstelen.

De werkgeversorganisaties VNO en NCW zijn gisteren met een zogeheten publiekscampagne begonnen om de positie van de Nederlandse industrie te verbeteren. Blijkbaar leeft in de Haagse hoofdkantoren het idee dat vijftien miljoen Nederlanders een afkeer hebben van de Nederlandse industrie. De resultaten van een onderzoek van het NIPO, die bij de start van de campagne werden gepresenteerd, waren voor VNO-voorzitter Alexander Rinnooy Kan en NCW-voorzitter Hans Blankert geen reden om de campagen af te blazen. Uit het representatieve onderzoek blijkt namelijk dat 91 van de Nederlandse bevolking denkt dat zonder industrie de werkgelegenheid en welvaart niet kunnen toenemen. Meer dan de helft van de ondervraagden is van mening dat de industrie er niet goed voor staat. De sense of urgency blijkt uit het feit dat de helft van de ondervraagden de loonkosten wil matigen en 51 procent is voorstander van een versoepeling van het ontslagrecht. “Toen we de resultaten lazen, dachten we dat de enquête onder VNO- en NCW-leden was gehouden”, schertst een voorman van een de werkgeversorganisaties.

Het publiciteitsoffensief van VNO en NCW wordt op 13 april afgerond met een congres. Drie weken eerder, 24 maart, treffen waarschijnlijk dezelfde congresgangers elkaar in Hilversum bij het 'platform globalisering', de strategische conferentie van minister Koos Andriessen (economische zaken) over het concurrentievermogen van de Nederlandse economie. “Het is complementair aan onze campagne”, kon Rinnooy Kan gisteren tijdens de persconferentie niet nalaten even op te merken.

Naast de 'publieksactie' blijft “een directe lobby richting politiek” noodzakelijk, aldus de Stuurgroep Industrie die de campagne leidt. Er worden worden informele gesprekken met partijvoorzitters, lijsttrekkers en campagneleiders van de vier grote partijen gevoerd. “De huidige toppolitici en de toppers die naar verwachting na de verkiezingen in Kamer en/of kabinet zullen zitten” worden benaderd.

De kabinets(in)formateur kan niet om de industrie heen. En tussen alle bureacratische teksten leest de brochure van VNO en NCW als een sprookjesboek. “Er was eens ver een land dat tot de rijkste ter wereld behoorde. Het was geliefd bij emigranten uit vele landen.” Als er bij in de komende kabinetsperiode geen keuze wordt gemaakt voor de industrie wordt Nederland het Argentinië van Europa, want dat is het 'emigratie-land' dat de oranje-brochure op het oog hebben. Begin van deze eeuw was Argentinië een van de rijkste landen ter wereld. “Maar de inwoners van het land verzuimden hun geld verstandig te investeren. Ze verwaarloosden de industriële sector, bouwden geen infrastructuur op, de jeugd kreeg geen goede technische opleiding en wetenschappelijk onderzoek werd niet gestimuleerd.”

Om de brochure die in 'mineur' begint 'majeur' te eindigen, halen de schrijvers het voorbeeld van Zwitserland (“Er was eens een klein land met een ongunstige ligging.”) aan. De situatie leek hopeloos. Totdat de mensen besloten de handen uit de mouwen te steken. Ze bouwden fabrieken en richtten zich daarbij vooral op hoogtechnologische industrieën. “Het land werd het rijkste ter wereld.”

    • Cees Banning