Ieder gedicht een eigen erf

Behalve de man die hele lappen Nescio kon opzeggen, heb ik nooit iemand gekend die proza letterlijk onthield. Van een roman of verhaal bewaar je na lezing een parafrase, een strekking, een atmosfeer en, als je heel prozaïsch bent, een plot. Soms blijft een hele passage je vrij duidelijk bij.

Bij poëzie is zulke onnauwkeurigheid ondenkbaar. Het is onmogelijk een gedicht 'ongeveer' te onthouden. Je kent het of je kent het niet. Het gaat om de precieze woorden in de juiste volgorde. In een roman of verhaal lees je 'over de woorden heen', het zijn mededelingen en betekenissen die verwijzen naar een imaginaire werkelijkheid, die je als het ware woordloos ervaart.

Wanneer ik denk aan het rivierenland zoals dat door Van Schendel in De waterman is beschreven, zie ik dat voor me, zonder nog de woorden te kennen die deze verbeelding tot stand hebben gebracht. Wanneer ik daarentegen denk aan Marsmans Herinnering aan Holland, herinner ik me het gedicht zelf, en eerder dan ze te zien hoor ik de brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.

Poëzie is: op een onvergetelijke manier iets zeggen. Een gedicht onthoud je in precies die woorden, en niet, zoals bij proza, als een samenvatting, want een gedicht is, als het goed is, zelf een samenvatting.

Sprekend over poëzie, spreekt men al gauw over vorm. Hier is altijd veel over te doen geweest. Van Vondel, die door schoolse classicisten werd aangevallen om zijn vrije versopvatting, tot Tachtig en Vijftig en Nul, is de vorm onderwerp van strijd geweest. Dergelijk formalistisch gekrakeel heb ik nooit zo interessant gevonden. Het doet mij denken aan het croquetspel in Alice in Wonderland, waar de Hartenkoningin voortdurend de regels aanpast - erg verwarrend, zodat op den duur iedereen voor zijn beurt gaat, elk voor zich verdiept in zijn eigen spel.

Veel wezenlijker vind ik de kritiek op het dichterlijke idioom. Al te vaak is verondersteld dat sommige woorden poëtischer zouden zijn dan andere en telkens is dit door nieuwe dichters gelogenstraft.

Het dichterlijke vocabulaire is op prachtige wijze steeds vernieuwd (terwijl het gekrakeel over dichtvormen niets interessants heeft opgeleverd). Van Ostaijen gaf ons de zingende Singer-naaimachien, Achterberg maakte lyriek van HO en elektriciteit, Nijhoff van auto, autoped en trottoir, en Max de Jong probeerde dichterlijk Hilversum 3 te overstemmen.

Opvallend vaak - vaker dan in romans of verhalen - speelt in poëzie het 'ongrijpbare' een rol, het 'onzegbare' of datgene wat juist een hoek om glipt, een vervliegend visioen, een wegvluchtende herinnering. In die zin is poëzie een metafoor voor het ontbrekende, en wat ontbreekt is het volledige, want wij hebben altijd slechts een deel.

I.K. Bonset: 'Ik vind de scherven van de kosmos in mijn thee.' Deze scherven zijn de metaforen. Een metafoor is een modderplasje dat de hemel weerspiegelt. Hierdoor is het ook zo moeilijk, zo niet onmogelijk, een gedicht samen te vatten of uit te leggen. Een gedicht kan alleen bestaan in zijn eigen woorden, zoals een muziekstuk alleen in die tonen kan klinken.

Dit dichterlijke verbond met het onverklaarbare heeft nogal eens tot wartaal geleid. Moderne poëzie werd synoniem aan 'duister' en veel dichters hebben hun woorden met opzet zo moeilijk mogelijk geordend, vertrouwend op de verklarende voetnoten die brave geleerden er later onder zouden plaatsen. Bij bepaalde dichters, zoals Mallarmé en Valéry, is het onbegrijpelijke (of de weergave daarvan) zelfs het doel waarnaar zij streven. In de poëtica van Valéry is een gedicht dat begrepen kan worden, geen gedicht.

T.S. Eliot wilde daarentegen dat zijn duisterheid buiten het gedicht wèl begrepen werd en zo was hij de eerste dichter die zelf voetnoten plaatste bij zijn eigen werk. Ezra Pound had weer een andere eigenaardigheid. Die gebruikte vreemde talen tot het Chinees aan toe, zich niet bekommerend om lezers die het Mandarijn niet machtig zijn, want deze megalomaan vond dat je minstens Ezra Pound moest zijn om zijn gedichten te kunnen begrijpen.

In dergelijke solipsistische en hermetische poëzie is de taal zo persoonlijk geworden dat de lezer zich afvraagt wat hij er nog te zoeken heeft. Ieder gedicht een eigen erf met een hek ervoor, een hond erachter en de dichter met de windbuks in de aanslag.

Deze heiligheid van het eigendom, deze absolutistische despotie op de vierkante meter, is voor vele dichters een probleem geworden. Talloos zijn de gedichten, waarin de dichter zichelf en zijn poëzie tot onderwerp neemt.

Dit dilemma, uit de ketens der poëzie los te willen breken en het besef dat je op versvoeten niet ver komt, komt in veel moderne gedichten voor. Lucebert: 'ik tracht op poëtische wijze / dat wil zeggen / eenvouds verlichte waters / de ruimte van het volledig leven / tot uitdrukking brengen.' Maar, zegt de jonge dichter René Huigen, hoe doe je dat, want: 'Poëzie samenvattend / steven ik op een boom af.'

Misschien is dit het wezen van de poëzie: op een onvergetelijke manier aanspraken niet waarmaken, in woorden die wel willen maar niet kunnen en die, om hun onmacht te verhullen, zich beter voordoen dan ze zijn.

---------------- Uit: René Huigen, Paleis der ingewanden

Ekal Tirani

Poëzie samenvattend

steven ik op een boom af

en van geen wijken weet mijn spoor,

daalt op bevestiging de daad die stilstaat

Hoe rekkende zon stilstand smokkelt, zijn schaduw

ondergaat in mij, een dag van omzien

rechtstandig in het altaar van diens wortel zijgt;

teneinde

Zijn kroon in het paleis der ingewanden,

rijk der spiralen waarlangs de toekomst stijft;

geen spraakverwarring in dit schaduwrijk

een schaduw zonder zon

Ik zal slikken haar toorn, duizenden briljanten

en bladeren bedekken mij, verzoenend met de zetel

kust het zitvlak mij tot keizer;

reeds gevallen

Ik zie mezelf al aankomen

    • P.F. Thomése