Het wijzen van de poezie; De willekeur van woorden

Waarom is een gedicht gemiddeld honderdvierenveertig keer zo kort als een niet-gedicht? Omdat je een gedicht moet uitspreken, al is het maar voor je binnen-oor. Wat zou een rijtje klanken kunnen betekenen? Heeft het wel zin om bij elk gedicht te vragen: wat betekent het? Wat is het verband tussen de principes van de vorm en de principes van de inhoud? Vragen en antwoorden over woorden, zinnen en gedichten.

Een woord heeft geen betekenis. Dat valt op, want alle andere dingen ter wereld hebben wel een betekenis, en soms zelfs meer dan één. Rook betekent: vuur. Vuur betekent: hitte. Hitte betekent: bakken. Bakken betekent: brood. Brood betekent: eten. Eten betekent: genot. Genot betekent: verslaving. Verslaving betekent: tabak. Tabak betekent: rook. Rook betekent: omhoog. Omhoog betekent enzovoort.

De hele wereld hangt aan elkaar van dingen die elkaar betekenen. Daar heb je niet eens een mens voor nodig. Ook een lama weet het: rook betekent vuur. Uit vuur komt rook en dan is de denkfout 'Dus waar rook is, is vuur' snel gemaakt. Dat je vuurloze rook hebt en rookloos vuur, dat geeft niets. In de betekenissenmarkt kijken we niet zo nauw.

Een woord heeft geen betekenis.

Wat zou een rijtje klanken kunnen betekenen? Vogels zingen al millennia hun klankenrijtjes, maar niemand vraagt ooit wat ze daarmee bedoelen.

Op een dag was er iemand die aan een woord een betekenis gaf. Wij weten niet met zekerheid wie dat was. Het was in ieder geval geen dier. Die lui houden het op de oude betekenissen. Als je een bij de weg naar de verre honing vraagt, dan danst hij zó, dat zijn achterlijf de richting en de kwaliteit van de honingbloem aanwijst.

Zo kunnen mensen het ook. als je vraagt: 'Waar woont je pa?', dan wijst de gevraagde met zijn handje. Verleng je nu zijn wijsvinger, dan kom je bij Pa terecht. Ik noem bijendans en wijsvinger geen woorden, want ze betekenen net zo direct als rook-vuur.

Men zegt dat het Prometheus was die het vuur uit de hemelkeuken stal. Alle vlammetjes zijn dus produkten van heling. De Prometheus die aan het woord een betekenis gaf, kon dat idee nergens vandaan halen. er is geen enkel logisch, natuurlijk, intuïtief, aangeboren, vanzelfsprekend, noodzakelijk verband tussen de drie klanken O,T en nog eens O en een automobiel. Toch gelooft iedereen dat oto, geschreven als auto, een betekenis heeft, namelijk: de kar met een machine. In andere landen noemen ze de auto een kar (Amerika) of een machine (Rusland).

Het is een heel werk om aan elk woord een betekenis te geven en het is nog steeds niet voltooid. Zo wachten bijvoorbeeld de woorden kasjine en koeloe nog steeds op een betekenis.

Ieder mensenkind moet jaren studeren om van zijn ouders de betekenissen van de woorden te leren. Omdat er geen enkel verband bestaat tussen de klanken van een woord en de betekenis van het woord, moet alles uitvoerig worden opgeslagen in de computerschijf tussen onze oren.

Een dichter is iemand die met deze gang van zaken geen genoegen neemt. Hij wil heus niet andere afspraken maken - dat doen ze in andere talen al. Maar hij vraagt zich af waarom er eigenlijk afspraken zijn.

Neem het woord auto. Ik spreek dat woord uit als oto. Want ik zie de auto van opzij, en dan is de eerste o het voorwiel, de laatste o het achterwiel, en aan het middenstuk heeft de Amerikaanse dichter H. Ford de naam T geschonken. Het achterwiel zit vast aan het middenstuk, maar het voorwiel kan draaien. Daarom is het woord ook: o-to, waar het streepje de verbinding tussen voorwiel en chassis aanduidt. Omdat de auto oto heet, heeft men hem voorzien van een extra motor die het mogelijk maakt er achteruit mee te rijden. de laatste o van oto rijdt dan voorop en het voorwiel wordt meegesleept. Dat achteruitrijden is natuurlijk nergens voor nodig. Fietsen en vliegtuigen fietsen en vliegen ook niet achteruit. Als je daar de andere kant mee op wil, moet je een bocht maken.

Auwto

Dank zij de inspanningen van de Taalunie uit de dertiende en veertiende eeuw lijkt het alsof er in het Nederlands geen verschil is tussen het zichtbare woord (de rij van letters uit het alfabet) en het hoorbare woord (de rij van klanken uit de mond). Maar de dichter ziet dat er wel degelijk verschillen zijn. Hij zal het woord auto alleen als auwto uitspreken als er pijn is. Hij weet dat paard niet echt rijmt op staart, omdat twee paarden twee staarten hebben.

Hoewel het gedicht wordt geschreven en gedrukt, gaat het er wel degelijk om hoe het wordt gesproken en gehoord. Er zijn in Nederland, van Hooft tot Bronzwaer, via Vestdijk en Wilmink, prachtige Poëtica's geschreven, boeken over de dichtkunst. Maar geen enkele poëtica geeft antwoord op de simpele vraag: waarom is een gedicht zo kort?

Een gedicht past meestal op een pagina, en dan is er nog veel wit over. Bomen haten dichters. Ze vragen zich af waarom ze gekapt moeten worden om voor al dat wit te zorgen. Dichters, daarentegen, houden zonder uitzondering veel van bomen.

Waarom is een gedicht gemiddeld honderdvierenveertig keer zo kort als een niet-gedicht? Omdat je een gedicht moet uitspreken, al is het maar voor je binnen-oor. Er zou geen roman verkocht worden als je die pillen helemaal hardop moest lezen. Een geslaagd gedicht ken je direct uit je hoofd. Alle citaten die ik in dit artikel gebruik, schreef ik uit mijn hoofd op. Overigens geef ik geen citaten, want een arachnoloog plakt toch ook geen platgeslagen spinnen in zijn artikel over het Wezen van de Spin? Alle poëtica's citeren beroemde versregels. Dat is misleidend, want de vormverschijnselen die zij aanwijzen, komen net zo goed voor in slechte versregels.

De dichter wil, tegen beter weten in, dat een woord een betekenis heeft op de manier van rook en vuur. Wij lezers weten echt wel dat er in hoge hoeden geen konijnen wonen, maar we zien toch graag een goochelaar aan het werk.

Tot zo ver de poëzie van het woord. Maar zoals u misschien weet, bestaat een gedicht uit een hele rij van die woorden, meestal meer dan tien en meestal minder dan duizend. Nu wordt het echt ingewikkeld. Want de betekenis van een rij woorden wordt wel degelijk bepaald door de betekenissen van de afzonderlijke woorden plus de manier waarop ze achter elkaar zijn gezet. Ook de dichter ontkomt daar niet aan, al spartelt hij tegen.

Terwijl je voor de betekenissen van de woorden een grote schuur kunt maken, waar alle dingen van auto tot en met zwempak in alfabetische volgorde liggen uitgestald, is dit voor zinnen niet meer mogelijk.

Dichters hebben altijd geheim gehouden hoe ze het deden.

Kopen bij de Spar

Tot Gerrit Komrij de hele dichtersbende in zijn harnas joeg toen hij in de autobiografie, Verknoeid Batavië, het geheim verklapte. Hij liep door de straat die naar de Winterswijkse burgemeester Piet Gasus is vernoemd en zag twee paarden die paarden. De paarden paarden, ging door hem heen. Dat is geen gedicht, dat is een slagzin van het tiep Kopen bij de Spar is sparen bij de koop.

In een flits zag Gerrit het poëtisch wondermiddel. In plaats van paarden (meervoud van paard) moest je zeggen: potten jam, en in plaats van paarden (verleden tijd van paren) moet je zeggen: rinkelden. Zo krijg je uit de paarden paarden: de potten jam rinkelden. Het spreek vanzelf dat dit voorbeeld niet de waarheid is, want Komrij houdt het echte geheim geheim, maar ik hoop dat de gang van zaken duidelijk is: er staat wel wat er staat, maar het betekent niet wat het betekent. Het heeft daarom bij elk gedicht wel degelijk zin om te vragen: wat betekent het? Maar op een antwoord hoef je niet te rekenen.

Dichten is dom werk. Het gaat je gauw vervelen.

Dichten is soms sterk. Dan gaan de woorden wervelen.

Poëzie is een marginale zaak. Je hebt het jaar van de vrouw, de maand van de gehandicapte en de dag van de arbeid. Zo is er ook: de week van de poëzie. De dichter is een gehandicapten-coach.

Poëzie is een kapitale zaak. Het gebeurt in je hoofd. Toen de dieren uit de ark kwamen, wist niemand meer hoe ze heetten. De dichter is een reïncarnatie van Noach.

Gedichten schrijven is heel eenvoudig. Henri IV was heel verbaasd toen Pirandello hem in het toneelstuk De Lederen Schoen toebeet dat hij altijd in proza sprak. Dat is ook heel moeilijk. Maar in poëzie spreken is heel simpel.

Gedichten lezen is heel moeilijk. Er is geen mens die niet, al was het maar voor Sinterklaas, een gedicht heeft gemaakt. Maar als ik iedereen die nog nooit een gedicht heeft gelezen, te eten moest geven, dan moest ik toch echt even naar de winkel.

Poëtica is onzwaar. Lucebert schreef eens het beroemde vers op de blote kont van de belaagde maagd van Jacarta. Het ontroerde mij indertijd. Laatst las Lucebert dat gedicht nog eens voor op de televisie. Nu werd ik door iets heel anders ontroerd. Namelijk doordat Lucebert, na de indrukwekkende voorlezing, zei dat hij het niet zo indrukwekkend meer vond. Helaas sprak hij in proza, zodat ik me de exacte bewoordingen niet herinner.

Poëtica van Bronzwaer geeft een heldere verklaring van de voornaamste vormprincipes en inhoudsprincipes. Juist omdat die zo helder worden, wordt duidelijk dat je geen antwoord krijgt op de vraag: wat is de samenhang tussen de principes van vorm en de principes van inhoud? Wanneer Boutens dicht: Ik bouw mijn huis op een peppil, dan denk je aan ijs en aan peppels en je begrijpt ook nog wat hij bedoelde, maar je hebt geen idee hoe Boutens het deed. Als daarentegen de Ierse dichter schrijft: Ik ging naar Bommel om Tom Poes te zien. Ik zag Tom Poes en overwon, dan zie je hoe het werd gemaakt en daarom is het gedicht geen winner.

Ik ben het eens met Multatuli, die de dichter een leugenaar noemde.

Jij moet een dichter dan ook nooit geloven.

Hij wil je alleen laten horen wat hij hoorde.

Ik ben het eens met Komrij, die de Nederlandse dichtkunst in één vers leesbloemde.

Jij komt die dichtkunst nooit te boven.

Zij wil je wijzen op de willekeur van de betekenis der woorden.

-----------------------

Uit: Gerrit Komrij, Alle gedichten tot gisteren

De dichter

Toen het letterkundig tijdschrift

Hem een briefje toe deed komen,

Waarin stond: 'Mijnheer, uw verzen

Waren lang niet slecht, we zullen

Er eerdaags een paar van plaatsen,'

Zwol zijn borst tot slagschiphoogte.

Heel zijn leven werd nu anders.

Hij ging doen alsof hij grote

Mensen hoogstpersoonlijk kende.

Hij zei stad wanneer jij blad zei.

Hij zei held wanneer jij speld zei.

Hij zei ach wanneer jij dag zei.

En daarvan wilde hij leven!

    • H. Brandt Corstius