Het is Balthasar Gerards, kinderen!

Het Wilhelmus. Met tekst van Willem Wilmink en illustraties van Lidia Postma. Uitg. Van Goor, ƒ 45,-.

'Mijn schild ende betrouwen' luidt de eerste regel, en dan komt er even later nog iets met 'tirannie verdrijven' maar verder is het helemaal weggezakt. Het 'tweede' (eigenlijk zesde) couplet van het Wilhelmus, ooit heb ik het geleerd, dat hoorde, samen met het eerste, 'bij onze opvoeding'. Maar ja, dat was toen: eigenlijk hoor je het Wilhelmus niet vaak meer. Wel de melodie, vlak voor een voetbalinterland bij voorbeeld, maar wat onze jongens op dat moment staan te prevelen (àls ze al prevelen; er wordt natuurlijk ook flink gemimed) is niet te verstaan. En aan dat volgende couplet doen we al helemaal niet meer tegenwoordig.

Dan getuigt het wel van moed om met een kinderboek te komen dat de niet erg wervende titel Het Wilhelmus draagt. En dat er met z'n donkerrode linnen omslag, gedecoreerd met gouden letters en het ernstige hoofd van onze Vader des Vaderlands, ook nog eens heel traditioneel en deftig uitziet. Pas als je het openslaat zie je dat de tekst van Willem Wilmink is, en dat is een hele geruststelling, want Wilmink heeft niet alleen voor kinderen een heleboel mooie en toegankelijke gedichten geschreven, maar ook is hij een ideale onderwijzer als het erom gaat kinderen iets bij te brengen over poëzie. De aanstekelijke 'schriftelijke cursussen dichten' die hij een aantal jaren geleden schreef voor het kinderkatern van Vrij Nederland, De Blauw Geruite Kiel, zijn wat dat betreft onovertroffen.

Op die manier moet ook aan het Wilhelmus een hoop eer te behalen zijn, want, zegt Wilmink, 'bijna niemand (begrijpt) precies wat-ie zingt.' Daarom vertelt hij in zijn inleiding iets over de tijd waarin het werd geschreven, over de Beeldenstorm, en over de Inquisitie, en dan zo dat je je er ook iets bij kunt voorstellen. Typerend is de manier waarop hij uitlegt hoe in die tijd geestelijken flink met aflaten leurden om de kas van de katholieke kerk te spekken: “Stel je nu zo'n geestelijke voor, die in een lange rok op de markt staat te roepen: 'Wie maakt me los?!! Honderd jaar vagevuur tegen slechts twee gulden! Wie maakt me los?! Duizend jaar vagevuur tegen betaling van ene gulden vijftig!' Hoe later je op de markt kwam, hoe goedkoper de aflaten natuurlijk werden, net als nu de bloemen.”

De hoofdmoot van het boek, althans in kwantitatief opzicht, wordt gevormd door het Wilhelmus zelf: alle vijftien coupletten in zestiende-eeuws Nederlands, met annotaties van Wilmink en paginagrote kleurenillustraties van Lidia Postma. Dat zijn stuk voor stuk varianten op en remakes van oude zestiende-eeuwse kunstwerken, waaronder een aantal schilderijen van Pieter Bruegel. Puristen vinden natuurlijk dat ze net zo goed afbeeldingen van de originele schilderijen hadden kunnen gebruiken, en daar zit ook wel wat in, want Postma beheerst de techniek zo goed dat het allemaal griezelig echt lijkt - op de voorbeelden, bedoel ik. Aan de andere kant is het ook wel weer aardig om de twintigste-eeuwse aanpak van Wilmink op deze manier te volgen - al gaat het dan meer om het idee dan om de uitvoering.

Maar de echte hoofdmoot is natuurlijk de toelichting van Wilmink (van wie overigens ook net een uitgave-voor-volwassenen van het middelnederlandse gedicht De reis van Sinte Brandaan is verschenen) op de afzonderlijke coupletten. Typisch Wilminkiaans zijn de verwijzingen naar andere gedichten (van Leopold en Gorter) en tijden (de Duitse bezetting), de ongedwongen toon en het speelse commentaar dat hij door zijn heldere, informatieve tekst heen strooit. Zo merkt hij terloops op dat 'in veel van onze kerken niet al te swingend wordt gezongen' en, naar aanleiding van het vijfde couplet: “Je zult wel vinden dat de prins hier een beetje aan het opscheppen is, maar bedenk dan dat hij dit lied niet zelf heeft geschreven.”

Wie het wèl geschreven heeft, daarover bestaat volgens Wilmink geen zekerheid. Hij legt uit dat routiniers als Marnix van Sint-Aldegonde of Coornhert (aan wie het Wilhelmus vaak is toegeschreven) waarschijnlijk technisch beter werk zouden hebben geleverd. Bovendien hebben deze schrijvers het volkslied nooit in een van hun boeken opgenomen. “En je zou toch wel gek zijn als je zo'n beroemd lied gemaakt had en het dan uit je boeken wegliet.”

Wilminks gedicht 'De Tachtigjarige Oorlog', waarmee het boek wordt afgesloten, is trouwens technisch gezien ook geen meesterwerk. Een beetje stuntelig, deze geschiedenis-op-rijm van de periode 1568-1648 ('In tweeënzeventig heeft Alva, / ja, bij Den Briel, hun kracht gevoeld'), maar aan de andere kant moet gezegd worden dat deze toch al bijzondere uitgave er ook weer een extra persoonlijk tintje door krijgt. En de strofe “Tien juli vijftien vierentachtig / en daar wordt aan de deur geklopt, / Het is Balthasar Gerards, kinderen! / Pistool onder de jas verstopt”, hoe tragisch ook van inhoud, probeer daar maar eens niet om te lachen.

Het ware Wilhelmus-gevoel heb ik er niet door gekregen, maar wel het gevoel dat er in Nederland tenminste één auteur rondloopt die in staat is om anderen te interesseren voor iets waarvan ze in eerste instantie denken: voor mij hoeft het niet. Als het Wilmink niet lukt om kinderen (en grote mensen net zo goed) warm te doen lopen voor het Wilhelmus, lukt het niemand.

    • Carolien Zilverberg