Elke schuilplaats gaat op de loop; Poezie van Frida Vogels, het slot van De harde kern

Frida Vogels: De harde kern 3. Gedichten. Uitg. G.A. van Oorschot, 335 blz. Prijs ƒ 45,-; (geb.) ƒ 69,-

De drie boeken die samen de reuzenroman De harde kern van Frida Vogels uitmaken lijken niet in de eerste plaats geschreven om literaire redenen. Het is alsof het leven zelf de schrijfster ertoe dwong om eindeloos precies te beschrijven wat er was gebeurd, gezegd, gevoeld, gedacht. Deel 1 en 2, 'Kanker' en 'De naakte waarheid' schreef ze om zichzelf te laten zien aan haar echtgenoot Stefano, deel drie 'Met zijn drieën' was gericht aan broer Thijs. Die bedoeling, om niet zozeer iets op papier te bereiken maar iets in de werkelijkheid, was aan de romans af te zien - geen kunstgrepen, geen versieringen, nauwelijks beeldspraak. Wèl een onwaarschijnlijke precisie en een adembenemende openhartigheid. Natuurlijk is wat Vogels schrijft niet allemaal letterlijk waar, haar boeken zijn echte romans, wat erin staat is door de vervormende zeven van herinnering en beschrijving gegaan, er is geschikt en geordend, maar met de bedoeling om 'de waarheid' op papier te krijgen. Uit 'De naakte waarheid' valt zelfs op te maken dat het aanvankelijk beslist niet de intentie van de schrijfster was om wat zij schreef ook te publiceren.

In de jaren vijftig, zestig en zeventig, vermoedelijk dezelfde tijd waarin 'Kanker' en 'De naakte waarheid' ontstaan zijn, schreef Frida Vogels ook poëzie waaruit zij, tot besluit van De harde kern, een royale keuze van meer dan driehonderd gedichten heeft gemaakt. Ik vermoed dat die gedichten aanvankelijk evenmin voor publikatie bedoeld waren. Ze lijken vaak net als het proza met het oog op een bepaalde lezer geschreven te zijn, er wordt nogal eens een 'jij' in aangesproken, die overigens niet steeds dezelfde is.

Voyeur

Niet voor publikatie bedoeld is niet hetzelfde als niet voor publikatie geschikt, dat bleek maar al te duidelijk uit de eerder verschenen boeken van De harde kern. Bij dit poëzie-deel dringt de gedachte dat dit allemaal eigenlijk niet voor vreemde ogen bedoeld is, zich echter sterker op. Dat ligt niet aan het persoonlijke karakter van wat Vogels schrijft, dat was in de eerder verschenen delen immers ook geen bezwaar. Integendeel, er ging een grote kracht van uit dat iemand dit allemaal durfde opschrijven en openbaar maken. De lezer werd toegelaten als welingelichte voyeur. Maar nu lijkt de deur op slot, de lezer gluurt door het sleutelgat en begrijpt niet goed wat hij te zien krijgt. Af en toe komt er iets bekends voorbij, soms is het beeld ineens heel duidelijk, maar meestal is het zicht te beperkt om te begrijpen wat er aan de hand is.

Evenmin als in de romans maakt Vogels in deze gedichten veel gebruik van literaire middelen. Dat is bij poëzie een groter risico dan bij proza. Zeven volzinnen achter elkaar heten altijd proza, maar vier afgebroken regels onder elkaar, is dat ook altijd poëzie? Misschien moeten we zo royaal maar zijn. Al dringt de twijfel zich wel eens op, als die zinnen geen beeld bevatten, willekeurig van lengte lijken, geen spoor van welk metrum dan ook vertonen en zich niets gelegen laten liggen aan schoonheid van klank of taal. Dit zijn de meest onplastische gedichten die ik ooit onder ogen gehad heb. Iets dat je 'een mooie regel' zou willen noemen is er eigenlijk niet in te vinden.

Wie de prozaboeken heeft gelezen zal in dit deel het een en ander herkennen. De vele wandelingen die in deze gedichten gemaakt worden bij voorbeeld, waarbij het pad vanzelf symbool wordt voor het levenspad en elke hindernis in de te volgen weg een existentieel obstakel. Vogels weet opmerkelijk veel variaties aan te brengen in het steeds weer op weg gaan en iets meemaken: een steen op het pad, dat het pad geen pad is, dat het uitzicht verdwijnt, dat het doel van de tocht uit het zicht raakt, dat de gekozen weg doodloopt. Dan: terug? maar terug kan niet, tot hier is men gekomen./ Voorwaarts, voorwaarts, maar voorwaarts kan niet, hier eindigt de weg./ Dan kan men alleen nog maar hier zijn vlag planten. Zoiets is typerend voor de Berta Mees c.q. Frida V. die we in de vorige boeken hebben leren kennen. Voorwaarts tot men zich vastschroeft en daar dan met veel inzicht in de situatie blijven zitten.

Zulke gedichten hebben wel wat, evenals een typering als deze: Je vond een steentje voor je voet; je schopte het niet weg, maar/ kromp ineen tot het een berg was geworden;/ daarna beklom je het zegevierend.

Prinsje

Zo is er wel meer aardigs te vinden. Vooral de twee afdelingen die aan de overleden moeder en aan broer Thijs zijn gewijd (afdeling V en VI) bevatten interessante gedichten - dat wil zeggen interessant voor de lezer van de romans. Voor een helemaal onvoorbereide lezer leveren ze ongetwijfeld voornamelijk raadsels op. Misschien springen deze afdelingen er vooral uit omdat het daar lukt te begrijpen wie de 'jij' is tot wie de dichteres zich richt, wat de mededelingen veel begrijpelijker maakt. 'Je was een prinsje' staat er, en wij herinneren ons dat broer Thijs als klein jongetje een prinsje genoemd werd en begrijpen dus ook waar de 'onophoudelijke noodlotsslagen' op slaan, we weten immers hoe verkeerd het tussen Frida en Thijs is afgelopen.

Er is echter voor gekozen om geen afdelingstitels als 'Moeder', 'Vader' of 'Thijs' te gebruiken, hoe verhelderend dat ook had kunnen zijn. Ook de gedichten hebben meestal geen titel, zodat we menigmaal naast iemand zitten die voor ons niet in beeld verschijnt, maar die tegen de dichteres opmerkt dat het tijd wordt om te gaan of haar arm aanraakt of een beweging maakt die blijkbaar betekenisvol geacht wordt. Voor de gebrekkig ingelichte lezer betekent zoiets helaas helemaal niets.

Dat wil niet zeggen dat er geen touw aan deze bundel vast te knopen is. Er wordt onmiskenbaar een bepaald levensgevoel in uitgedrukt, een houding, of juist het gebrek daaraan. Net als in de prozaboeken, geeft Vogels hier vorm aan een hartverscheurende angstigheid en onzekerheid, gepaard aan een eigenaardig soort vasthoudendheid. Zo komen er opmerkelijk veel steden voor, die maar al te dikwijls belegerd worden of soms zelfs al door 'de vijand' veroverd zijn, maar van overgave is nooit sprake. Zo'n stad lijkt metafoor voor een mens, afwerend maar weerloos, een woonplaats maar niet veilig. Even vaak is er sprake van een nog te bouwen of in aanbouw zijnd huis, of van een huis waar vreemden binnendringen, of van het eigen huis dat toch niet vertrouwd is. Elke schuilplaats gaat in deze gedichten op de loop, niets houdt het, niets biedt veiligheid. Het beste wat er bereikt wordt is de aanblik van kleine lila bloemetjes op de bodem van een ravijn.

Hoezeer dus ook uit hetzelfde hoofd afkomstig, toch is dit poëziedeel lang niet zo indrukwekkend als de prozadelen. Het is daar een soort bijlage bij, niet oninteressant, hier en daar treffend, maar als geheel te weinig losgeraakt van het persoonlijke. Het 'onliteraire' van alles wat Vogels schrijft doet zich hier voelen als een gemis. Wat meer vorm, meer gedachten aan een andere dan de meest intieme lezer zouden deze gedichten goed gedaan hebben.

----------------------

Uit: Frida Vogels, De harde kern 3

Zoals wanneer men dalend, plotseling

het vergezicht verliest en tegelijk

geen vogels meer hoort zingen en de wind

ook niet meer hoort:

men doet nog een paar stappen en blijft staan.

Het pad dat schuin onder de hemel liep

door zacht gras, bracht je hier.

't Voert steil omlaag, over wegrollend gruis.