Een king-size verrekijker op het Nieuwe Land

Prins Claus opende woensdag 2 maart in Lelystad het Nieuw Land Poldermuseum. Het is de opvolger van een informatiecentrum over de Zuiderzeewerken, dat in 1987 afbrandde. 'Leven met en strijd tegen het water' ofwel: het leven van ir. C. Lely in een notedop.

Tot de aardigste curiosa van het Nieuw Land Poldermuseum in Lelystad behoort een kort filmfragment, eigenlijk niet meer dan een flits, van ir. Cornelis Lely. Voor zover bekend is dit het enige bewaard gebleven bewegende beeld van de roemruchte waterstaatsingenieur, geestelijk vader van het plan om de Zuiderzee te temmen en gedeeltelijk in te polderen. Men ziet hem vier seconden lang, het gezicht met de parmantige sik half naar de camera gekeerd. De opname moet dateren uit 1918 of daaromtrent, toen Lely als minister van Waterstaat in het kabinet-Cort van der Linden zijn voorstellen aangenomen zag.

Het fragment maakt deel uit van een compilatie van historisch filmmateriaal, waarvoor werd geput uit circa 600 rollen celluloid van onder andere Polygoon en de Rijksvoorlichtingsdienst. De beelden worden geprojecteerd ter ondersteuning van een tentoonstelling die “het leven met en de strijd tegen het water” tot uitdrukking brengt. En dan speciaal in samenhang met de geschiedenis van het nieuwe land onder de Afsluitdijk.

Ook het museum zelf heeft al een hele geschiedenis achter de rug, beginnend in de jaren vijftig, toen Waterstaat in een loods op het werkeiland Lelystad-Haven een bescheiden expositie inrichtte over het inpolderingswerk. Wat hier werd getoond trok zoveel belangstelling, dat de betrokken diensten een nieuw informatiecentrum lieten bouwen, dat sinds de opening in 1976 gemiddeld 80.000 bezoekers per jaar telde. Op 1 oktober 1987 echter brandde het gebouw tot de grond toe af, waarbij praktisch de hele collectie van schilderijen, foto's, modellen en originele werktuigen verloren ging.

Het ministerie toonde weinig belangstelling voor herbouw, maar dat veranderde in 1991 toen een initiatiefgroep Nieuw Land, bestaande uit notabele Flevolanders, zich krachtig had ingezet voor een museum in deze cultuurarme provincie als opvolger van het verwoeste informatiecentrum. Het departement bleek bereid hiervoor 5,5 miljoen gulden uit te trekken, terwijl het provinciebestuur nog eens vier miljoen beschikbaar stelde. Als architect werd Jan Benthem aangetrokken. Hij ontwierp een opmerkelijk gebouw in de vorm van een zestig meter lange aluminium buis, die als een king-size verrekijker uitzicht biedt op enerzijds het nieuwe land en anderzijds het Markermeer.

Inmiddels was ook weer een verzameling authentiek materiaal bijeengebracht, die samen met films, dia's en dergelijke het verhaal van de polder vertelt. Daarbij is, naar ontwerp van bureau Donald Janssen, het hoofdthema in een reeks subthema's onderverdeeld. Het gaat over geologie en archeologie, over bewoning in prehistorische tijden en de pioniers van deze eeuw, over dijkenbouw, ontginning en bemaling, over handel en visserij. Het is een gedeeltelijke overlapping van wat het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen tentoonstelt, maar volgens de initiatiefnemers wordt er niet gedacht in termen van concurrentie.

Ir. Lely speelt in dit alles de centrale rol die hij ook bij zijn leven vervulde. In 1887 trad hij in dienst van de pas opgerichte Zuiderzeevereniging, die ijverde voor gedeeltelijke drooglegging van de binnenzee. In die hoedanigheid produceerde Lely een reeks technische nota's, waarvan er één het bekende ontwerp bevatte dat voorzag in een afsluitdijk en vier polders ten zuiden daarvan. Een paar jaar later werd hij benoemd tot minister van Waterstaat en kon hij vanuit het Haagse bolwerk zijn plannen voortzetten.

Door verschillende complicaties heeft het nog tot 1916 geduurd voordat een wetsvoorstel tot inpoldering gereed was. De indiening daarvan gebeurde op een geschikt moment, namelijk halverwege de Eerste Wereldoorlog, toen Nederland kampte met een tekort aan landbouwprodukten. Nieuwe landerijen kon men dus uitstekend gebruiken. Bovendien was 1916 het jaar van een stormramp waar vooral de Zuiderzeekusten zwaar onder te lijden hadden. Grote delen van het omringende land kwamen blank te staan en daardoor werd ook het veiligheidsaspect plotseling actueel. Dat heeft er stellig toe geleid dat een hoofdelijke stemming in de Tweede Kamer niet eens nodig was.

De aanleg van de Afsluitdijk, die aan de inpoldering voorafging, begon in 1927, tot droefenis van de oude Zuiderzeevissers die hun broodwinning naar de knoppen zagen gaan. Hun leidsman, Egbert den Herder uit Harderwijk, schreef later een brochure onder de titel 'De zesde bazuinstoot', waarin hij, puttend uit oudtestamentische bijbelkennis, zijn gramschap over de ingenieurs uitsprak: “Zij lopen over de brede Afsluitdijk als de mannen van Jericho over hun muur en zeggen met Nebukadnezar: 'Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb?' En toch zal het hun vergaan als weleer de verdedigers van Jericho of de torenbouwers van Babel.”

De Harderwijker bazuinstoot miste zijn uitwerking; de Afsluitdijk hield stand en van de ingenieurs die dit kunststuk op hun naam hadden, is niet bekend dat ze voor het werk aan de tekentafel zijn gestraft. En wat de visserij betreft: die heeft inderdaad een zware tol betaald doordat de verandering van Zuiderzee in IJsselmeer het einde betekende van haring, ansjovis en bot.

Op 28 mei 1932 was het vonnis voltrokken. Die dag vielen de laatste brokken keileem in het laatste gat van de Afsluitdijk. Den Herder liet terstond nog een toornig boekje verschijnen, waarvan het omslag als rouwkaart was uitgevoerd, maar anderen jubelden, de ingenieurs voorop. Wie het niet meer mocht beleven, was ir. Cornelis Lely, die ruim drie jaar eerder was gestorven.

    • F.G. de Ruiter