Een kettingdenker van halve gedachten; De tandenknarsende poeziekritiek van Herman de Coninck

Herman de Coninck, Intimiteit onder de melkweg. Uitg. De Arbeiderspers, 223 blz. Prijs ƒ 29.90.

Het is een bijzonder genoegen, mee te maken hoe Herman de Coninck het keer op keer met voorwaardelijke liefde, zoekend naar eigen woorden, voor de underdog opneemt. Zijn neus is geschapen voor het bespeuren van onrecht. Of het nu gaat over een persoon of een zaak, hij veronderstelt dat iets niet in orde is aan de mening van anderen, maakt er een kwestie van en trekt ridderlijk ten strijde. In Intimiteit onder de melkweg, zestien essays en lezingen over poëzie, noemt hij Vestdijks lijstje met soorten critici en stelt vast dat de zijne, die van de tandenknarser, er niet bij zit.

De tandenknarsende criticus, dat is ook een rare soort, een soort die geen soort wil zijn. De Coninck heeft het niet op categoriseren en juist dat verschijnsel wekt zijn tandengeknars op. Hij aait liever tegen de vleug in. Als iets door iemand in een hok is gestopt, wil hij er nog wel eens even goed naar kijken, en de lijkschouwing die specialisten met hun krukkig begrippenapparaat ('moet je dat hebben, een thematiek?') op gedichten loslaten, geeft hij veil voor één ingeleefde lekebeschouwing van Renate Rubinstein. Hij ziet niets in veralgemeningen. Een veralgemening, zegt hij, is zoiets als een te krappe regeringsmeerderheid. Persoonlijk doet hij een gooi naar waarheden van 60%.

Die ene keer dat hij zelf, betogend over Hollandse kritiek op Vlaamse poëzie, veralgemeniseert, wordt hij prompt minder duidelijk, of hij ziet spoken, het is maar hoe je het noemt. Je komt honderd geestige, mooie dingen tegen, maar het betoog in z'n geheel is gekleurd door een vooroordeel, een vooroordeel over de vermeende vooroordelen van anderen. De Coninck denkt dat Guus Middag denkt dat Luuk Gruwez dacht dat . . . Wat moet je daarvan denken? Het is voorstelbaar dat het hem niet lekker zit dat de helft van schrijvend Nederland in Amsterdam woont en dat hij vooral al die hoofdstedelijke poëziecritici graag uiteen zou jagen, maar ik geloof er niet in dat de Hollanders de Vlamingen niet zien staan, zoals hij wil aantonen. Volgens mij denken ze er helemaal niet zoveel over na dat D'Haen, Van hee, Claus en Nolens Vlamingen zijn.

Baldadigheid

Wel is logisch dat juist een Vlaming een lans breekt voor het goede van Jonckheere en ook dat hij makkelijker op Nederlandse heiligen als Achterberg afdingt. Kom er maar eens om, een Nederlands criticus die Jean-Pierre Rawies 'sonoor soort eeuwigheid' prefereert boven de eeuwige treurnis om een moord van Achterberg. Het hardst hoont De Coninck de canonisatie van Lucebert in Nederland: “Alle poëzie die ook maar een beetje in de richting gaat van barokke baldadigheid wordt afgewezen. Ik denk dat ze Lucebert gecanoniseerd hebben om ervan af te zijn.” Zo knarsetandt hij over de hyperindividualistische leden van de Nederlandse dichtersbent die allemaal hetzelfde denken, van wie woordspelingen niet mogen sinds Toon Hermans heeft bewezen dat hij er ook wat van kan, (De Coninck, die er ook wat van kan, heeft het onder meer over 'Willem Bulderdijk'), en die bevriezen wanneer een dichter eens niet vernieuwend wil zijn. Niettemin is voor De Coninck de Nederlandse poëzie de beste van de wereld, en bijna de hele bundel gaat over Nederlandse en Vlaamse poëzie.

Voorbeeldig is De Coninck in zijn analyses van bepaalde poëzie, confrontaties tussen hem als niet te bedotten lezer en de papier geworden dichter. Het knarsetanden is daar niet verdwenen, uitgangspunt blijft de weigering iets te accepteren wat een ander heeft gezegd. Aan Kopland ergert hem dat die ooit, naar aanleiding van een opmerking van Rein Bloem over zijn Humanistisch Verbond-toon, besloot voortaan Bernlef, Faverey en Kouwenaar als verwanten op te voeren. De Coninck neemt zich voor te laten zien hoe de late Kopland met zijn moeizaam bijeen geaarzelde mysteriositeit, de dichter van 'nog' en 'deze plek', vooral verwant is aan de vroege Kopland, en daarin slaagt hij. Kopland geeft hem subtiele bespiegelingen in over het verschil tussen doodsverlangen en doodsangst en het verkieslijke van het eerste. Bij De Coninck zelf bespeur je eerder het verlangen om oud te zijn, om verlost te zijn van het 'kettingdenken van halve gedachten', zoals hij het noemt.

Pleidooi voor prutsen

De bundel begint met een essay over poëzie-onderwijs, getiteld Een scholing in schaarste. Het is een pleidooi voor prutsen, zelf laten proberen en dan laten ondervinden hoe het anders, prangender kan. De drang tot romantiek aderlaten, en laten zien dat goede gedichten, al lijken ze perfect begrijpelijk, zich nooit helemaal laten vangen. De Coninck verzint opdrachten, zoals: Probeer eens een levenswijsheid. Probeer er vijfentwintig en constateer dat het nooit poëzie wordt. Goede poëzie, zegt hij in het laatste essay van de bundel, is poëzie die weet heeft van de 'alles-heid' van het leven en tegelijkertijd van de details, en die de laatste over de eerste laat vertellen.

Het is mooi: De Coninck vraagt zich af hoe je poëzie moet onderwijzen, en intussen hebben de poëzieonderwijzers of docenten neerlandistiek het makkelijker gekregen door deze voorbeeldige leeslessen. Verveling en onverschilligheid uitgesloten. Als er een register in stond, zou het behalve een superieur leesboek een superieur naslagwerk zijn.

De Coninck heeft dit boek denk ik gemaakt voor andere dichters en beschouwers, aan wie zijn drastische terzijdes dubbel besteed zijn, en niet voor leken. Een enkel statement stoorde me toch, toch denkend aan scholieren en studenten die van niks weten. De AP 'beste poëzie-uitgever van Nederland'? Kees Fens de enige keer dat hij voorkomt te kijk zetten als iemand van wie het 'allemaal' niet mag - terwijl Fens nooit verbiedt. Maar verder had ik ze niet willen missen, al die vrije associaties. Daardoor kon zomaar, tussen de regels door, het veeltoppig fluitekruid een daverende overwinning behalen op de naar kattepis riekende vlier en zag ik in een flits in het Hollandse sonnettenhuis Jan Kuijper achter de vleugelpiano zitten en Jan Kal achter het kinderpianootje. Om zulke dingen leze men deze bundel vooral. Ze maken De Coninck.

    • Barber van de Pol