Een gewone hond

Ongetwijfeld hebben wij onverantwoordelijk gehandeld, maar op de een of andere manier ging de ene beslissing zo natuurlijk in de andere over dat ik niet onmiddellijk zou weten waar precies de fouten zijn gemaakt.

Het was een koude maar heldere zondagochtend en wij liepen over de markt van Luik, een lang lint van kraampjes, gelegen langs de oever van de Maas. De Belgische markt heeft nog iets van de middeleeuwse charme die de Nederlandse markt al lang verloren heeft. De Nederlandse markt lijkt nog het meest op een openluchtfiliaal van Dirk van den Broek. De Belgische markt daarentegen is een anarchistische uitstalling van alles wat te verhandelen is. De kleuren van een Belgische markt zijn hard-rose, oranje-geel, turkoois en paars.

Zonder levende dieren is een Belgische markt niet compleet. Je ziet er van alles: katten, konijnen, kalkoenen, kippen, papegaaien, allerhande zangvogels, geitjes en op een afgezette parkeerplaats lag in wat stro zelfs een varken te slapen. De meeste dieren huizen met te veel in veel te kleine hokken, maar er is, geloof ik, geen Belg die zich daar al te zeer om bekommert.

Halverwege de markt, even voorbij het kleed waarop twee oude vrouwen hun antiquiteiten hadden uitgespreid, gebeurde het. Op de grond stond een kartonnen doos met daarin een klein zwart hondje, vermoedelijk niet ouder dan zeven weken. Vanuit zijn doos sprong het hondje in de armen van mijn dochter en op dat moment ontstond er een chemische reactie, die ik alleen maar kan omschrijven als wederzijdse verliefdheid. Het gelik en geknuffel - “ja, kom maar, doe-die-doe-die-doe-die” - werd in de armen van mijn vrouw voortgezet. Het was inderdaad een aardig diertje met een intelligente oogopslag, en bovendien had het de vorm van een echte hond. Het was niet zo'n opgetuigde baal wol, die je tegenwoordig wel door de parken ziet schommelen.

Een kameraadje rijker reden wij naar huis, niet geheel beseffend wat ons te wachten stond. Om te beginnen werden wij 's nachts wakker van een snuffelend gewroet dat pas ophield wanneer ons hondje zich een plaats onder onze dekens had verworven. Wij schaften een mand aan, want het vooruitzicht dat voortaan 30 kilo vlees tussen ons in zou slapen - we hadden geen idee hoe groot ons hondje zou worden - was niet erg aantrekkelijk.

Wij begonnen ook met de zindelijkheidstraining. Uit een boekje hadden wij geleerd dat een hond die in de kamer urineert bestraffend moet worden toegesproken met een luid “foei!”, terwijl een plasje op straat volgens de wetten van Pavlov beloond dient te worden met geaai over de kop en geknuffel in de flanken.

Het toespreken van een hond is een eigenaardige bezigheid. Rudy Kousbroek heeft erop gewezen dat het schuldbewuste een fundamentele karaktertrek is van de hond. Je neemt de kop van een hond tussen je handen en je zegt met zachte, verwijtende stem: “Wat heb je mij teleurgesteld. Je wist dat dit niet mocht, maar je hebt het toch gedaan. Kan ik dan helemaal niet op je rekenen? Noem je dit loyaliteit? Enzovoort.” Op deze overdracht van de menselijke erfzonde zijn vele variaties mogelijk. Anders dan een kat legt een hond zich neer bij de autoriteit. Je kunt een hond toespreken als militair, als zeekapitein of zelfs als hoofdverpleegster.

We hadden Polly, zo heet onze hond, nog geen week toen zij door haar voorpoten zakte. Geschrokken krabbelde zij weer op, maar daarna blafte zij niet meer. Zij at ook niet meer en kreeg een droge neus. Het was afgelopen met het gekwispel en 's nachts lag zij uitgeput in haar mand. Zij begon zwaar te ademen, een aanblik die ons in onze machteloosheid beschaamde.

Daarna moest de eerste gang naar de dierendokter worden gemaakt. Zij kreeg pillen en vloeibaar voedsel. Een aangebracht infuus dat haar moest beschermen tegen uitdroging, deed haar piepen op een manier die door merg en been ging. Vandaag zit zij in quarantaine. Zij slaapt in een stalen hok. Er is bloed afgenomen. Misschien heeft zij de gevreesde hondeziekte meegenomen van de markt in Luik.

    • Max Pam