Eddy Merckx draagt een doornenkroon; De wereld van tekenaar Ever Meulen

Hij tekent het liefst in opdracht, voor theaters, popsterren, The New Yorker, en de PTT; zijn werk is gestoffeerd met auto's en gebouwen uit de jaren dertig. Een gesprek met de Brusselaar Ever Meulen, die in Amsterdam zijn omslagtekeningen voor het Belgische tijdschrift Humo exposeert. “Ik heb tijd nodig om iets goed te maken. Afgezien van de Formule 1 houd ik niet van snelle dingen.”

Ever Meulen in Galerie Lambiek, Kerkstraat 78, Amsterdam. T/m 26 maart. Ma t/m za 11-18u.

Ever Meulen: Honderd Humo Covers 1972 t/m 1992. Uitg. Kritak/ Oog en Blik. Prijs ƒ47,50.

“In het begin van de jaren zeventig zagen de auto's eruit als vierkante schoenendozen en werden alle gebouwen uit beton en aluminium opgetrokken. Ik vergeleek de lelijke wereld die ik rondom me zag met het auto-design en de architectuur uit de jaren dertig. Dé wilde ik gebruiken in mijn werk. Ik heb mijn tekeningen gestoffeerd met de auto's en juke-boxen waar ik verzot op ben; mijn decors gevuld met de architectuur waar ik van houd. Zo heb ik mijn eigen wereldje gebouwd.”

De Brusselse tekenaar Ever Meulen is een estheet die ook aan de vormgeving van zijn eigen naam heeft gesleuteld. “Ik heet Eddy Vermeulen. Dat werd E. Vermeulen en vervolgens Ever Meulen; een spelletje. Het ziet het er grafisch beter uit als je voornaam en achternaam ongeveer even lang zijn.” Om kleine tekeningen niet al te veel te ontsieren bedacht hij een nog kortere signatuur: “Een embleempje, zoals firma's dat ook hebben. Dat vind ik wel passend: Les Usines Ever Meulen; mijn eigen tekenfabriek.”

Onlangs verscheen een boek met de covers die hij in de loop der jaren voor het Belgische radio- en televisietijdschrift Humo heeft gemaakt. De samenwerking met Humo begon in de jaren zeventig en loopt door tot op de dag van vandaag - hoewel Vermeulen gaandeweg steeds meer voor andere opdrachtgevers is gaan werken. In Nederland werd hij bekend met korte strips in het tijdschrift Tante Leny Presenteert. Via de bladen Charlie Hebdo en Surprise drong zijn werk ook in Frankrijk door. Nadat hij in de jaren tachtig was uitgenodigd te werken voor het Amerikaanse blad Raw, klopte ook Playboy bij hem aan. “Maar die vonden mijn werk uiteindelijk too sophisticated.” In 1992 ontwierp hij een serie Nederlandse postzegels rondom het thema 'kind en muziek'. “Dat is de grootste oplage die ik tot dusverre gehaald heb. Ik geloof dat er in totaal 54 miljoen van die zegels gedrukt zijn.” Inmiddels werkt hij ook voor het tijdschrift The New Yorker.

Eddy Vermeulen werd in 1946 geboren in het Westvlaamse Kuurne, nabij Kortrijk. “Daar heb ik een ongecompliceerde jeugd doorgebracht. Ik was als kind al gek op tekenen. Mijn ouders wisten niet goed wat ze daar mee aan moesten. In overleg met de pastoor bedachten ze dat een carrière als textieltekenaar een goede keuze zou zijn. Daar ben ik een tijdje voor opgeleid, maar die motiefjes vond ik wat beperkt en dus ben ik maar naar de echte kunstschool gegaan. Ik had de keuze tussen Gent en Doornik, maar in Doornik was de taal Frans. Aangezien wij dicht bij de grens woonden was er een soort afkeer van Fransen; die kwamen in de weekends de grens over om kabaal te maken en te dansen met de meisjes waar wij liever mee zouden dansen.”

Pop Art

Na afloop van zijn studie aan de Academie wilde Vermeulen geen kunstenaar worden. “Exposeren in galeries sprak me niet aan; ik wilde kunst maken die door iedereen gezien kon worden en voelde me aangetrokken tot de Pop Art kunstenaars die met zeefdrukken probeerden een groter publiek te bereiken. Ik wilde functioneel werken, het liefst voor een tijdschrift.” Dat lukte. In 1970 liep Vermeulen binnen bij Humo waar hij de zojuist aangetreden hoofdredacteur Guy Mortier trof. “Die kende ik van zijn radio-programma. Mortier draaide rock 'n' roll waar hij, met z'n typische stem, wat aankondigingen tussendoor murmelde. Ik toonde hem tekeningen van Elvis Presley en andere popmuzikanten, zodat hij kon zien dat ik van de goede muziek hield. Hij kon me wel gebruiken. Ik had vanuit de Kunstschool een zekere bagage meegekregen en kon verschillende dingen maken: covers in verschillende stijlen, illustraties, strips en 'hoofdingen' voor de rubrieken.”

Niet veel later was hij de huistekenaar van Humo, waar de jaren zeventig de nodige veranderingen met zich meebrachten. “Alle revolutionaire studenten uit Leuven, Gent en Brussel kwamen bij Humo terecht. Herman de Coninck, Piet Piryns, Marc Didden en Mortier natuurlijk, die was de leider van de groep. Ik keek een beetje op tegen die mannen, ze konden allemaal zo ontzettend goed praten en schrijven. Zelf was ik verbaal niet zo sterk.”

Het élan van de jonge Humo-redactie botste regelmatig met de directie. “Die spraken Frans en wisten vaak niet eens wat er in Humo stond. Maar ze konden wèl zien wat er op de cover stond.” Dat leverde wel eens moeilijkheden op, aangezien Vermeulen - al dan niet in samenwerking met Mortier - regelmatig provocerende covers bedacht. Een tekening waarop een radio-microfoon in de vorm van een hand een obsceen gebaar maakt en een bidprent van Eddy Merckx (met doornenkrans) wekten wrevel. Bij een cover waarop de Zaïrese president Mobutu werd afgebeeld met rode bloedvlekken op zijn handschoen greep de directie in. “Het ging om een bevriend staatshoofd en dat bloed vonden ze te ver gaan. Dat is de enige keer geweest dat m'n werk gecensureerd werd.

“Organisatorisch was het bij Humo altijd een puinhoop. En aangezien de drukkerij vijftig kilometer verderop lag en daar alleen Frans werd gesproken ging er nogal eens wat mis. Onvoorstelbaar hoe mijn tekeningen soms werden verknald.” Ook wanneer er op het laatste moment nog iets aan de cover veranderd moest worden ondervond Vermeulen hoe de esthetiek in het gedrang kwam. “Dat mijn werk ondergeschikt was aan de inhoud van het blad vond ik op den duur wel vervelend. En dan steeds die snelheid... ik heb tijd nodig om iets goed te maken. Afgezien van de Formule 1 houd ik niet van snelle dingen.”

Vermeulen is daarentegen wel verknocht aan het werken in opdracht. “Daarmee kan ik me een beetje richten. Als ik los van een opdracht werk, ben ik de pedalen wel eens kwijt. De meeste mensen die van de Kunstacademie kwamen hielden niet van opdrachten. Ik ken een heel pak tekenaars dat alleen eigen ideeën op papier probeert te krijgen en geen rekening houdt met suggesties van anderen.”

Schrijnwerker

Vermeulen, die sinds kort een dag per week les geeft aan de St Lucas Academie in Gent, hamert op het belang van vakmanschap. “Dat is altijd mijn voornaamste ambitie geweest. Als iemand vroeg of ik iets kon tekenen zei ik altijd ja. Zoals je een schrijnwerker kunt vragen om een kast of een tafel voor je te maken.” Gevolg is dat hij zoveel mogelijk aspecten van zijn vak wil uitproberen. “Als ik de ene week iets gemaakt heb met waterverf denk ik de volgende week: nu iets met krijtjes, da's ook plezant. Elk idee vraagt een eigen vorm. Als je al die Humo-covers achter elkaar ziet; dat zijn toch heel verschillende stijloefeningen.”

Strips maakt hij niet meer. “Daar ben ik mee opgehouden toen Kamagurka bij Humo kwam, die is daar veel beter in. Ik ben geen echte striptekenaar. Het verveelt me een figuurtje te tekenen dat er na tientallen pagina's nog steeds hetzelfde uitziet. Wat me wèl in strips aanspreekt is de stijl, de duidelijkheid. Ik ben op de Klare Lijn van Edgar P. Jacobs en Hergé gevallen omdat ik wilde communiceren. Ik ben altijd lineair geweest. Ik ben geen schilder: kleur is niet mijn sterkste kant.”

“Ik zal nu toch eens een serie tekeningen moeten maken die losstaat van welke opdracht dan ook. Ik heb me voorgenomen eens goed na te denken over wat ik zelf wil gaan tekenen. Ik zit vaak te snuffelen in mijn oude schetsen en dan komen er allerlei ideeën in me op.” Van elke tekening die hij ooit maakte, heeft Vermeulen een dossiertje met het origineel en alle voorafgaande schetsen. “Daar zitten veel ideetjes in waar ik destijds niks mee gedaan heb.” Hij heeft zijn bezwaren tegen galeries laten vallen: “Ik zou nu wèl willen exposeren. Ik wil niet alleen multiples maken, maar ook dingen die uniek zijn.”

Zijn voornemens ten spijt komt het er niet zo van met dat vrije werk. “Ik word voor zulke leuke dingen gevraagd. Ik heb net voor Raymond van het Groenewoud een platenhoesje gemaakt en ben nu alweer bezig met de vormgeving van een ander cd'tje. Dan ben ik nu bezig met een poster voor het Luna Theater hier in Brussel. En ik moet dringend iets gaan doen voor The New Yorker. Het lukt me gewoon niet om nee te zeggen tegen die opdrachten.”

    • Erik Spaans