Dood in de kast of wachtend op tafel; Het leven van dichtbundels en hun lezers

Wie lezen er eigenlijk welke poëzie? De stichting Speurwerk heeft er geen cijfers over omdat men zo wel weet dat die groep klein is. Boekhandelaren weten er wel het een en ander van. Bijvoorbeeld dat poëziebundels vaak cadeau worden gedaan. “Een dichtbundel brengt een bepaald geef-gevoel over”, zegt een van hen.

“Kijk, de man die daar loopt, kwam hier pas Gorter en Perk kopen.” Bij boekhandel Ko van Leest in de Amsterdamse Concertgebouw-buurt leeft de poëzie. 'Poëzie en niets dan poëzie' staat er met grote letters in de etalage. Binnen zijn er kasten vol oude en recente dichtbundels en de gesprekken tussen Ko en zijn klanten gaan deze zaterdagmiddag, onder het genot van sherry, over poëzie en niets dan poëzie.

“Als ik moest kiezen tussen proza en poëzie”, zegt een klant, “dan koos ik voor poëzie.” “Poëzie brengt de taal tot zijn essentie terug”, zegt een ander. Een derde weet wat zij meeneemt naar het spreekwoordelijke eiland. Veel Rilke, veel Martin Veltman, zeker wat van Jan van Nijlen en misschien C.O. Jellema. Maar er is zo veel moois om mee te nemen uit de kasten van Ko van Leest. Deze winkel is dat eiland eigenlijk al. Het oog valt op een ruim veertig jaar oude bloemlezing uit het werk van Gerard den Brabander:

Ik, kleine slaaf van poëzie en taal,

mij was ter borst de eerste melk al

schraal.

Kopen, lezen in de tram.

Wees wild muziek! In ieder danst de

dood!

Hoeveel slaven van poëzie kent Nederland? Directeur Henk Kraima van de stichting CPNB, organisator van de Boekenweek, is optimistisch. Nederland dicht zich - “Rouwadvertenties, Sinterklaas, bruiloften en partijen” - een ongeluk. De Nacht van de Poëzie beleeft morgen zijn veertiende aflevering. De literaire uitgeverijen verkochten vorig jaar 96.000 dichtbundels en 46.000 bloemlezingen. En hoe lang bestaat Candlelight al wel niet? Kraima: “Poëzie leeft.”

Dat wil nog niet zeggen dat - het lezen van - alle poëzie leeft. Een teken aan de wand is, dat de Stichting Speurwerk geen cijfers heeft over het leesgedrag van poëzieliefhebbers.

“Die groep is veel te klein voor onderzoek”, zegt een woordvoerster. Gesprekken met een aantal grote en kleine kwaliteitsboekhandels verspreid over het hele land, leveren een bevestiging van die stelling op.

Op de vraag of ze ook fervente poëzielezers kennen, moeten de meeste boekhandelaren het antwoord schuldig blijven. Dat wil zeggen, professionele lezers kennen ze wel: schrijvers, taaldocenten en -studenten. Fervente niet-professionele lezers blijken schaarser. “Bij ons zijn de grote poëziekopers, poëzieschrijvers”, zegt Albert Hoogeveen van Scholtens Wristers in Groningen, een van de grootste boekhandels van het land.

Homerus

In tegenstelling tot sommige andere boekhandels - “Ik wil de omzetcijfers van poëzie helemaal niet weten”, zegt Hoogeveen - kan boekhandel Fanoy in Middelburg de exacte aantallen zo uitdraaien. Fanoy bedient literatuurliefhebbers in heel Zeeland en Noord-België. Zij namen tussen mei vorig jaar en maandag jl. vijfentwintig exemplaren af van Jean Pierre Rawies Onmogelijk geluk.

Die bundel was daarmee de best verkochte; Rawie bezet ook de negende en twaalfde plaats. Verder vinden we in de top twaalf twee keer Vasalis en twee keer Rutger Kopland. Ook verzamelbundels blijken populair: de verzamelde gedichten van Chris van Geel staan op de vijfde plaats, die van Adriaan Morriën op de derde. De enige 'buitenlandse' dichter die mee kan komen is Homerus. Daar staat tegenover dat de klanten van Fanoy weten wat ze willen lezen; slechts één bloemlezing (Domweg gelukkig in de Dapperstraat) verkoopt substantieel.

Verrassend is dit beeld niet. Rijm, metrum, begrijpelijkheid en lichte ontroering zijn gewild bij de niet-professionele poëzielezer. Zijn ideale gedicht is niet 'wit' of 'autonoom'. Het lijkt op wat Winnie-the-Pooh a Good Hum noemt - “such as is Hummed Hopefully to Others”.

Zoals Winnie-the-Pooh graag anderen opvrolijkt met een liedje, zo geeft de Nederlander graag een dichtbundel cadeau. In dat opzicht is er een belangrijk verschil met proza. Uit een recent onderzoek van Speurwerk blijkt dat de meeste romankopers het boek voor zichzelf aanschaffen. Slechts zeven procent van de ondervraagden had de door hen gelezen boeken gekregen. Volgens de boekhandelaren is dat bij poëzie anders.

Hoogeveen schat dat tachtig procent van de verkochte dichtbundels cadeau gedaan wordt. Jaap Deen van boekhandel Van Someren & Ten Bosch in Zutphen houdt het op vijfenzeventig. Dick Anbeek van Fanoy op vijftig procent. “Een dichtbundel brengt een bepaald geef-gevoel over”, zegt Hoogeveen. “Zo van: 'Ik begrijp jou'.”

Deen en Anbeek bevestigen die observatie. Anbeek: “Men vindt een dichtbundel een heel persoonlijk cadeau.” Hoogeveen kreeg eens een bundel terug omdat de jarige hem al had. “De gever had bij bepaalde gedichten briefjes gestopt, om aan te duiden wat de ander moest lezen. Die briefjes zaten er nog in. Ik vond dat wel ontroerend.”

Het cadeau is meestal een bundel die de koper zelf mooi vindt. Rawie dus, of Kopland; Vasalis of - sinds een tijdje - Anna Enquist. Daarnaast is er een groep gevers die minder goed weet wat ze zoekt. Deen: “Die maak je meestal wel blij met Domweg gelukkig in de Dapperstraat.”

Hoe zit het dan met de honderden andere titels uit de voorraad? “Het merendeel wordt niet verkocht”, zegt Anbeek. Van de ruim zevenhonderd verschillende titels die hij in huis heeft, vonden er volgens de koele computer in bijna een jaar driehonderd een koper. “De rest staat dood in de kast.”

De boekhandelaren zeggen een dichtbundel langer een kans te geven dan een roman. “Uit piëteit”, aldus Anbeek. Na drie jaar tipt hij enkele liefhebbers. Voor een zacht prijsje raakt hij de winkeldochters dan meestal wel kwijt. Bij andere boekhandels gaan die na een jaar of twee in de ramsj, met dertig procent korting.

Bekendere namen worden dan alsnog verkocht, maar er blijft nog veel over. “Op Koninginnedag”, zegt Deen, “doen we die nog eens extra in de aanbieding. De bundels die dan overblijven gaan naar de opkoper.” Bij het oud papier dus, zegt Hoogeveen. “Wat moet je anders? Ik heb eens geprobeerd om alle oude dichtbundels van Jacques Hamelink voor een dubbeltje per stuk kwijt te raken. Zelfs toen werden ze niet verkocht.”

Toch blijft hij onverkoopbare bundels inkopen - een of twee exemplaren per titel. “Dat houden we allemaal met elkaar in stand. En dat moet ook zo blijven.” Maar het blijft een wat trieste conclusie: voor veel dichters loopt de weg naar de eeuwigheid via het oud papier.

IJssalon

Snel terug naar het eiland. Naar de Winterswijkse veldbioloog Steven van den Brand, bijvoorbeeld. Hij koopt tussen de vijftien en twintig dichtbundels per jaar en mag dus een fervente, niet-professionele lezer genoemd worden. Om hem heen heeft hij een groepje gelijkgestemden verzameld. “Maar ik probeer voor alles te voorkomen dat het een leesclub wordt. We praten wel veel over poëzie, maar dan meestal op het terras van een Italiaanse ijssalon, of aan een beekje.”

Poëzie, zegt hij, is “veel actiever lezen dan proza. Ik heb bij poëzie veel minder het gevoel dat ik op de tribune zit, alleen maar mag toekijken.” Hij geeft de voorkeur aan poëzie waar je 'een beetje in kunt klauteren': “Ik hou niet van hermetische gedichten. Ze moeten met mij resoneren. Nooteboom bijvoorbeeld, heb ik hier in de kast staan en hij komt er ook wel eens uit. Maar ik dring er toch niet echt in door.”

Hoe dring je door in een gedicht?

“Pas heb ik in Nijmegen in de ramsj sonnetten van Jan Kuijper gekocht. Zo'n bundel blijft dan op tafel liggen, zodat je er te hooi en te gras in kunt lezen. En hij blijft net zo lang liggen tot ik denk: 'Hier kan ik wat mee'.” Daarnaast leest hij veel essays en kritieken. “De kracht van gedichten zit in de confrontatie met de poëzie zelf. Maar het kan verrekte handig zijn om wat achtergrondinformatie te hebben. Dan gaan er meer deuren voor je open.”Zijn favoriete dichters zijn onder anderen Enquist en Kopland, Enquist wegens 'het element muziek', Kopland wegens zijn 'beeldende vermogen' en de manier waarop hij de natuur weet te vangen 'zonder dat het een liedje wordt'. Een vriend van hem is paardenliefhebber en houdt om die reden ook van Kopland: bij Kopland komen meer paarden voor dan bij menig andere dichter.

Te particulier? Ko van Leest vindt van niet. Dat poëzie - steeds meer - iets voor een elite is, zegt hij, heeft onder meer te maken met het feit dat wij haar tè ernstig nemen. “Je moet voor poëzie wel een wat beschouwend, introvert karakter hebben. Maar veel mensen kijken er toch te calvinistisch-exegetisch tegenop: Men denkt dat er van een gedicht maar één uitleg mogelijk is. Wij zijn allemaal dominees.”

Op die manier, zegt Van Leest, worden tussen lezer en poëzie veel te hoge barrières opgeworpen. “En ook de literatuurwetenschap heeft de liefde tot lezen verpest.” Het begrijpen van de dichter, vindt Van Leest, is van ondergeschikt belang. “Ik ga niet zitten te interpreteren. Ik hoor poëzie, hoor de klanken. Poëzie is muziek.”

Maurice Gilliams is voor hem de grootste.

“Ik heb zijn stem in huis, op plaat en band. Maar die durf ik niet te draaien. Ik heb bij Gilliams mijn eigen stem gemaakt. Het is een bedachtzame, kalme, absoluut niet geforceerde stem die ik hoor als ik Gilliams lees. Een beetje omfloerst.”

    • Gertjan van Schoonhoven