De anti-sterren: Elsie de Brauw; Vitriool of viooltjes

De actrice Elsie de Brauw stotterde als kind, maar is nu bekend om haar virtuoze stem- en taalgebruik. Ze articuleert zo dat je nooit weet wat je in je gezicht gesmeten zal krijgen. “Mensen zijn geen puzzels, maar onberekenbare raadsels,” zegt ze in de achtste aflevering van de serie 'De Anti-sterren'.

Decadence is vanavond te zien in Maastricht, zaterdag in Venlo en van 15 t/m 19 maart in Amsterdam; daarna door het hele land. Eerder kwamen in deze serie aan het woord: Rik Launspach, Loes Wouterson, Myranda Jongeling, Victor Löw, Joan Nederlof, Bart Slegers en Hans Kesting.

“Amusement vind ik niks. Daar doe ik niet aan.” Elsie de Brauw (1960) smijt een uitdagende blik door het hoge voormalige klaslokaal in de verbouwde Betuwse dorpsschool die ze bewoont. “Theater mag niemand de ruimte geven om kalmpjes te concluderen, ja, zo zit het. Het moet je raken.” Dat zijn onverschrokken uitspraken, een anti-ster waardig, maar we zaten nog niet tegenover elkaar of De Brauw distantieerde zich al gniffelend van die term. Niks anti: “Ik wil d'r wèl een zijn, een ster. Uiteindelijk sta ik 't te doen, het publiek moet in mij geloven. Moet ik mezelf dan wegspelen? Mag ik dan alleen maar dienstbaar zijn aan de ideeën van de regisseur en de gedachten van het stuk?”

Dienstbaar is het laatste woord dat zich opdringt wanneer Elsie de Brauw acteert. Speelt ze, dan wekt ze vaak de indruk dat zij de enige is die het in zich heeft om juist die rol gestalte te geven. Dat verhindert haar niet om op te gaan in haar rollen. Zij verdwijnt en haar personage ontspruit, de Bode in Thyestes van Hugo Claus, Winnie in Gelukkige dagen van Samuel Beckett, en nu, in Steven Berkoffs Decadence, afwisselend de ziekelijk genotzuchtige Helen en haar verbeten, net zo manisch op zichzelf betrokken tegenhangster Sybil. Deze figuren kunnen lichamelijk vast zitten, Winnie in een berg zand, Sybil en Helen in de weerzinwekkend arrogante poses van de Engelse upper class, maar De Brauw sproeit hun zinnen zo eigen de ruimte in dat het lijkt of de spreeksters op een hoogstpersoonlijke manier visjesvlug over het podium zwenken.

Dat lukt De Brauw door haar mimiek, maar nog meer invloed heeft haar stem. Ze articuleert zo dat je nooit weet wat je in je gezicht gesmeten zal krijgen. Pas als het aankomt merk je wat het was, vitriool of viooltjes. De Brauw: “Ik functioneer uitsluitend op mijn oren. Toen ik Desdemona speelde bij de Toneelgroep Amsterdam (in Othello, onder regie van echtgenoot Johan Simons-JR) hoorde ik mijn eigen natte 't' en wist dat ik niet goed was. Het is de eerste keer dat ik ben afgemaakt in de recensies en ik was het er volledig mee eens. Ik had iets speciaals van die Shakespeare-vrouw willen maken en ze werd een zwevend meisje dat keurig haar versjes zei. Voor mij is Desdemona een flirt, geen onschuldig kuiken. Iemand van wie je bij de eerste zin denkt: die duikt met iedereen in bed. Van dat air zou Othello gek moeten worden, ook al is het duidelijk dat ze niet daadwerkelijk een misstap beging. Maar de taal van Shakespeare is heel moeilijk, het lukte me niet de zinnen te ontwarren. Pijn en verdriet geeft hij zo gekunsteld weer dat het gevoel was weggevlogen, eer ik de zin had uitgesproken. Ik zou het graag opnieuw proberen maar dan als Lady Macbeth: en vrouw die te ver gaat en het waanidee leeft dat de bloedvlekken niet meer van haar handen gewassen kunnen worden.”

Draaikolk

“De taal van Hugo Claus kost me minder moeite: je leest het en je voelt het: 'welke draaikolk neemt mij op en vat mij in een dikke wolk en verblindt mijn ogen om wat ik heb gezien?' Zo'n zin brengt de hele wereld binnen. Becketts taal is gastvrij; moeilijk maar zo mooi dat je direct iets voelt. Met sommige zinnen in Decadence van Berkoff heb ik nog altijd moeite. 'Als dat plezier is/ krijg ik liever de pest' moet ik zeggen en dat rijmt dan op 'je wil zo snel mogelijk in je nest'. Sinterklazerij en een dooddoener. Maar op andere plaatsen verheft dat rijm juist wat er gebeurt en in het algemeen spreekt de manier waarop Berkoff de stijl van zijn stuk laat bepalen door de taal me zeer aan.”

Elsie de Brauw bezocht de Toneelacademie van Maastricht, nadat ze bij het Groningse studententoneel haar talent had ontdekt. Ze studeerde psychologie, een wetenschap die haar nog altijd boeit maar die haar als actrice alleen maar dwars zit: “In het theater draagt de psychologie iets bij, maar het mag niet overheersen. Toneel is niet gebaat bij een sluitende psychologische verklaring, een rücksichtslose ontwikkeling is mooier. Mensen zijn geen puzzels, maar onberekenbare raadsels.”

Haar rollen benadert De Brauw van buitenaf. “Iemands bewegingen zijn vooral een handige omlijsting voor een figuur, ze maken het moeras van zijn wezen minder groot, ze bakenen een personage af. Maar bij mij komen de eerste eigen karaktertrekken met het geluid. Een stem is abstracter, minder te plaatsen en voor mij toch veel gemakkelijker te bepalen. De stem is het eerste wat opdoemt wanneer ik een rol bestudeer.”

Ter illustratie vertelt De Brauw dat regisseuse Dora van der Groen haar opdroeg in Thyestes op te komen 'als een versteende spin': “Dat deed ik en het geluid kwam vanzelf mee.” Een versteende spin? Wat voor stem heeft die dan, als hij al beweegt? De Brauw grijnst verontschuldigend. Voor haar is het logisch en anders dan met dit voorbeeld kan ze het niet uitleggen, temeer omdat de regisseurs met wie ze veel aan haar stem en taalgebruik heeft gewerkt, volslagen verschillend denken over het gebruik van het woord. “Van Dora moet een acteur het woord een bestaan geven, een persoonlijkheid. Niet bedenken waarom, gewoon doen, zegt ze. Ze merkt het niet, maar ik denk toch. Als iemand eerst zegt 'Ik heb me zo verveeld' en direct daarna 'wil je iets drinken' dan heb je meer nodig dan het gevoel van die woorden en de beelden die ze oproepen. Daar ligt iets tussen en wat dat zou kunnen zijn, kan ik niet benoemen maar ik voel het, als ik die woorden zeg.”

Circus

Paul Koek, die haar onder veel meer in Gelukkige dagen regisseerde, kan juist niks om het woord heen velen. De Brauw: “Voor Dora zijn woorden beeldhouwwerken en van Paul Koek mag je de woorden juist niet invullen. Klank is voor hem het voornaamste. Schrijf die woorden in de lucht en geniet ervan, zegt hij.” Tegen die doctrine in bracht De Brauw een dramatisch accent aan, aan het slot van Gelukkige dagen. Haar Winnie breekt met haar puur verbale bestaan en schiet ineens even vol. “Hoe geroutineerd iemand ook praat, daar zitten hoe dan ook emoties achter en die wilde ik even laten blijken.”

Juist door dat virtuoze stem- en taalgebruik wordt De Brauw nogal eens geprezen om haar techniek. “Dat vind ik een belediging. Als dat het voornaamste is, ga ik bij het circus. Ik beheers het vak, en hard werken kan ik ook, maar daar gaat het toch niet om?”

Vraag Elsie de Brauw of haar stem en het genot van woorden altijd zo belangrijk voor haar geweest zijn en ze antwoordt dat ze als kind werd getreiterd omdat ze stotterde: “Dat ging er steeds harder aan toe en het werd tenslotte zo erg dat ik iets moest bedenken om te ontsnappen. Mijn acht jaar oudere zusje stotterde niet en haar ben ik - ik was toen elf - na gaan doen. Van de ene op de andere dag was ik er vanaf.”

De Brauw werd geboren als zesde kind in een adellijke Haagse familie waar ze lange tijd weinig van wilde weten. “Bij ons was iemand al verdacht als hij met een rollende 'r' sprak. Ik kreeg het gevoel mee iets te zijn, maar dat was niet mijn eigen verdienste, terwijl ik wilde laten zien wat ik zelf was. Nu begin ik de voordelen te ontdekken van zo'n milieu. Veel van mijn taalgevoel is daar al tot bloei gebracht. Mijn vader las ons gedichten voor, van Boutens, van Achterberg, niet in een gedwongen sfeer, maar in het voorbijgaan. Wij gingen daar niet erg op in, maar achteraf zie ik dat het voor mij toch even een stap buiten het grijze alledaagse leven heeft betekend. Een vergelijkbaar verlangen is wat mij nog altijd beweegt om te acteren. Het leven is grijs, versnipperd. Je kunt niet onafgebroken gelukkig zijn, hooguit drie minuten per week beleef je iets bijzonders. Die magie kun je alleen op het toneel elke avond oproepen. Ik geloof echt dat er op het toneel een wonder moet plaatsvinden, voor het publiek en voor mijzelf. Ik heb geen boodschap die ik koste wat kost naar buiten wil brengen. Mijn bedoeling is om de mensen iets te laten meemaken wat ze zonder die avond in het theater niet zouden kennen. Ik wil ze doorelkaar schudden: wie huilt om Thyestes huilt niet om wat hij zag, maar om zichzelf. Het mooiste is een voorstelling die de mensen meesleept in iets unieks. In iets dat nu gebeurt, niet gisteren en niet morgen. Iets dat mis zou kunnen gaan en dat niet doet: de sensatie van een stierengevecht.”

    • Joyce Roodnat