Circus Kippenberger; Een rebellerende kunstenaar in museum Boymans- van Beuningen

Martin Kippenberger wil graag een kunstenaar- als-rebel zijn. In Museum Boymans-van Beuningen richtte hij een meubel- en sportspektakel in. Hij verplicht het publiek om in de zaal blauwe douchemutsachtige overschoenen te dragen. En intussen lacht hij om hen die steeds maar naarstig op zoek zijn naar de diepe gedachte achter alles wat zich als kunst presenteert.

Martin Kippenberger, The happy end of Franz Kafka's 'Amerika'; museum Boymans-van Beuningen. T/m 23 april.

Kippenberger, Martin, 1953. De belangrijkste Duitse kunstenaar sinds Joseph Beuys, zeggen sommigen. Een charlatan, zeggen anderen, en het is verleidelijk te denken dat dat dezelfden zijn die ook Beuys zo hebben gekwalificeerd. Niet dat het werk van beiden inhoudelijk ook maar enige overeenkomst vertoont, maar zowel bij de een als de ander blijf je aan de persoon haken. Of liever, het personage dat ze met hun kunst meeleveren als was het er onverbrekelijk een deel van. Sceptici zien daar al snel hoogmoed en zelfvergoding in.

Hoe dan ook, zeker is dat je flink wat ego in huis moet hebben om te doen wat Kippenberger doet: jezelf tot middelpunt maken van een heel circus, zeker wanneer dat circus Het Kunstbedrijf heet. In museum Boymans-van Beuningen heeft Kippenberger nu zijn circus neergezet. Hij heeft een tentoonstelling als een sport- annex meubelspektakel gemaakt en dat verbonden met de onvoltooide roman van Franz Kafka, Amerika.

De opening van het spektakel is in circusstijl: de ruime toegang tot de grote bovenzaal van het Boymans is vernauwd tot een poortachtige opening waarachter een smalle corridor het publiek dwingt om links- of rechtsaf te slaan en in kleine aantallen naar binnen te gaan. Zowel de poort als de lange muur van de gang zijn bedekt met de afwisselende verticale strepen die we van het circustentzeil kennen.

We herkennen ze, omdat we nu eenmaal in een museum zijn, ook als iets heel anders, namelijk als het logo van de Franse kunstenaar Daniel Buren. Hij brengt sinds jaar en dag zijn markiezendoekmotief op tal van voorwerpen en plaatsen aan, subtiel zoals op de ramen boven de toegangsdeuren van het Stedelijk Museum in Amsterdam, of dwingend zoals bij het door hem ontworpen veld van paaltjes achter het Palais Royal in Parijs. Maar hij wordt altijd geruggesteund door de wetenschap dat zijn gestreepte ingrepen door het kunstpubliek als 'typisch Buren' herkend zullen worden. En daarmee als kunst. Voor anderen zal dat niet altijd duidelijk zijn.

Die verbintenis van tot logo uitgegroeid motief en kunstenaar is vooral in de jaren zeventig een vanzelfsprekend onderdeel van het kunstidioom geworden, zo vanzelfsprekend dat zelden nog ter discussie staat of hier en daar sprake is van ijdeltuiterij en mystificatie. Of dat zo is moeten zowel de kunstenaar zèlf, als de museumbezoeker zich afvragen. Vaak brengt de eerste met flink wat theoretische omhaal een idee naar voren, die een oneindige hoeveelheid visuele variaties mogelijk maakt. De laatste voelt zich gevleid wanneer hij die idee kan herkennen als bijvoorbeeld 'een Toroni', ofwel een op regelmatige afstand van elkaar geplaatste lik verf van verfkwast nr. 50.

Kippenberger begint hier dus met een Buren en dat wekt in eerste instantie verbazing. De wortels van Kippenberger, deze voormalige Jonge Wilde, liggen immers in een periode, grofweg de jaren tachtig, waarin juist deze 'kunst van de herkenbaarheid' onder vuur lag. Kippenberger huldigt zelfs nog steeds een eclectisch kunstenaarschap, wat betekent dat hij naar believen werkt in de meest uiteenlopende stijlen en met allerhande materialen en onderwerpen. De laatste zoekt hij bij voorkeur in wat de lagere of amusementscultuur heet.

Zodra je de 'tent' binnenkomt, zie je daar een sterk staaltje van. De enorme en onhandelbare museumzaal is veranderd in een arena voor zaalvoetbal. Heuse tribunes flankeren links en rechts het met witte lijnen gemarkeerde groene speelveld. Dat staat overvol met meubilair, telkens in een combinatie van twee stoelen en een tafel.

Douchemuts

Het geheel oogt bizar, niet het minst doordat de meubels op hun ongewone vorm lijken te zijn uitgekozen. Een deel van de meubelverzameling heeft Kippenberger zelf gemaakt. Misschien is dat wat er uitziet als een houten spoorrails eigen fabricaat. Hij ligt rondom een tafel die eruit ziet als een spiegelei, en er overheen rijden schietstoelen met opengeklapte paraplu's bij wijze van overkapping. Wat verderop staat iets wat eruit ziet als een parasol, maar dan geknikt en van prachtig donker hout. Het blijkt een antieke ronde tafel te zijn (uit de collectie van het Boymans), waarvan het prachtig ingelegde tafelblad gekanteld staat. Twee verschillende modern-design-stoelen staan er wat klunzig naast.

Ook van de twee hoge tegenover elkaar geplaatste tenniscourt-stoelen in het midden gaat iets onhandigs uit, wat mogelijk ook met de krakkemikkige zelfbouw te maken heeft. Voorts zijn er allerlei bekende en minder bekende ontwerpen en (maar ook dat weten alleen insiders) tafels en stoelen met een 'beroemd' verleden, bijvoorbeeld omdat ze het papier met de smarten en vreugden van een beroemde schrijver hebben gedragen of zijn gemaakt van een plankier, waarop de paus heeft gestaan tijdens zijn bezoek aan Keulen.

Om het functionele gaat het hier natuurlijk niet, laat staan dat dit iets met een gewone meubeltentoonstelling van doen heeft. Maar het typeert Kippenberger dat hij ook nog op het eerste tafeltje een bordje heeft gezet met 'hier geen fietsen plaatsen', en op monitoren pikant geklede cheerleaders 'Kippenberger, Kippenberger' laat yellen. Alsof wij niet begrepen zouden hebben dat dit alles zo bij elkaar is neergezet om ons te amuseren. Bovendien maakt hij ons een beetje tot medespelers van dit meubel-sportspektakel door ons te verplichten helblauwe douchemutsachtige 'overschoenen' aan te trekken voor we ons op het groene veld begeven. Dat ontregelt, want iedereen loopt zo een beetje voor gek, en om dat ontregelen is het Kippenberger begonnen.

Nu zijn we daar, in het museum, op geprogrammeerd geraakt. Je zou het zelfs een moderne kunsttraditie kunnen noemen. Wie, als Kippenberger, een kunstenaar-als-rebel wil zijn, moet dan ook met stevige kost komen en een potsierlijke meubeletalering vult niet lang. Daarom heeft Kippenberger een niveau aan het werk toegevoegd dat mogelijk het visuele opwaardeert. Dat niveau heet hier Kafka met zijn onvoltooide roman Amerika.

Zoals zo vaak met conceptuele tweede lagen in de beeldende kunst krijg je daar pas een vermoeden van als je de bijbehorende tekst leest. In dit geval bevindt die zich in het folderbakje bij de tentoonstelling en ik mag hopen dat dat steeds gevuld blijft, want het bevat belangrijke informatie. Wie bijvoorbeeld al rondlopend geplaagd wordt door de vraag wat al die nummerbordjes op de tafeltjes en de boeken op de tribune te betekenen hebben, kan nu lezen dat die nummers corresponderen met de nummers van boeken in een kast, dat die boeken ter inzage liggen op de tribune, dat daarin dialogen staan in de vorm van een sollicitatiegesprek, dat die op verzoek van Kippenberger geschreven zijn door verschillende auteurs, hem zelf inbegrepen, en dat dat evenzovele varianten zijn op het laatste deel van Amerika, met dien verstande dat de roman iedere keer in plaats van een somber laatste deel een happy end krijgt.

Melig

Met die kennis in handen opent zich vanaf de tribune een ander perspectief: sollicitatie (de stoelen tegenover elkaar, hun vreemde ieder-voor-zich-uiterlijk), competitie (het sportveld, maar ook weer het solliciteren) - waar kun je dat niet allemaal mee in verband brengen? De uitsluitend uit plaatjes bestaande catalogus geeft een uitgebreid en eindeloos uit te breiden antwoord: met banken tegenover elkaar in het park, armworstelende mannen, mens-erger-je-niet spelende bejaarden, met Majakowski op een krukje, Edith Piaf een brief lezend, een café-terras, de ontblote derrière van een juffrouw onder tafel, met filmfragmenten, Rietveldmeubelen en met Kippenberger. Vooral Kippenberger, want als er een ding is dat al die volstrekt verschillende beelden met elkaar verbindt dan is dat zijn toon. Die valt het beste te omschrijven als een melige lach - een lach die over alles een mist legt van lusteloze grappigheid.

Waar lacht Kippenberger om? Om hen die steeds maar naarstig op zoek zijn naar de diepe gedachte achter alles wat zich als kunst presenteert. Die laat hij graag als een mislukt soort eenden met blauwe plastic voeten rondlopen. Kunst heeft voor hem niets te maken met diepe betekenissen. Kunst is manipulatie, effect, sollicitatie. Het gaat daarbij voor hem om het maken van de juiste vriendjes, om rivaliteit, machtsverhoudingen. Kunstenaars zijn rondtrekkende circusartiesten, kunst is de kunstwereld. Dat wil Kippenberger met zijn circus zeggen.

Dat is ook wat zijn schilderijen en tekeningen zeggen die de kunst van anderen - vriend en vijand, beroemd of onbekend - parodiëren of ridiculiseren. Ze hangen in twee kleine zalen achter de beide tribunes en vormen een potpourri van stijlen, materialen en onderwerpen die we van andere kunstenaars kennen. Alles wat het bijzondere of eigene van een kunstwerk uitmaakt, is door hem tot een lege huls gemaakt. Telkens heeft hij de stijlen van anderen zo knullig toegepast, dooreengehusseld en met flauwiteiten aangevuld dat je je het liefst met plaatsvervangende schaamte zou afwenden.

We doen dat niet direct, omdat deze lorren in een museum van naam hangen. En hier begint Kippenbergers manipulatie van ons als kunstpubliek: in een museum, zo zijn we geconditioneerd, moet er toch een idee achter zitten, die meerwaarde geeft aan wat er op het eerste gezicht te zien valt.

In dit geval is het een idee dat terugvoert naar Marcel Duchamp en de onbarmhartige wijze waarop hij heeft blootgelegd dat alles wat in een museum staat als kunst wordt gezien. Dat kan gebeuren, zoals Duchamp ook persoonlijk heeft gedemonstreerd, door de mystificatie van het kunstenaarspersonage. Het besef daarvan is zozeer in de kunst doorgedrongen, dat het een richting op zichzelf is geworden.

Image building

Alles wat Kippenberger als kunst presenteert, is als het ware gestempeld met K's. Iets kan uit de collectie (meubels, of kunst of wat dan ook) van Kippenberger komen, of Kippenbergers bescherming genieten (werk van onbekende kunstenaars), of door Kippenberger zijn geïnitieerd (het schrijven van een ander slot aan Amerika) - en dat is voldoende om het 'zijn' werk te noemen. Ook het met een K bedrukte uitnodigingskaartje voor het inauguratiediner in het Boymans en de yell van de cheergirls op de monitoren boven de tribunes horen bij wat in reclametermen image-building heet. Zoals het streepdoek het logo is van Buren, zo is Kippenberger het logo van Kippenberger.

Kippenberger wordt vaak een nakomeling van Joseph Beuys genoemd, door dat accent op het kunstenaarspersonage. Beuys vatte echter het kunstenaarschap op als een spirituele missie waar zijn werk met een zeer oude spirituele symboliek van getuigde. Kippenberger ziet dat, met gelijkgestemde kunstenaars als bijvoorbeeld de Amerikanen Julian Schnabel en Jeff Koons, heel anders. Voor hen betekent het kunstenaarschap sociale status.

In de dagelijkse praktijk komt dat neer op een publiekelijk geëtaleerde levensstijl van 'grand seigneur', in Duitsland vaak verbonden aan brallerig macho-vertoon. Voor de kunst betekent het in Kippenbergers geval een fanfare van platvloersheid: dik aangezette stijlverkrachtingen (vooral Sigmar Polke's schilderijen blijken Kippenberger te inspireren tot een extreme vorm van overweldigingsdrang), nadrukkelijk lullig materiaalgebruik en afgezakte-onderbroekonderwerpen.

De idee erachter? De mythe van het kunstwerk als symbool van oorspronkelijkheid, verhevenheid en belangeloosheid omvertrappen. Dat leidt maar, volgens Kippenberger, tot 'valse hoop'. Daarentegen zou zijn manifestatie van het lelijke, valse en platvloerse een weerspiegeling zijn van de dingen 'zoals ze zijn'.

Kippenberger kan gerust zijn: niemand zal Kippenberger van oorspronkelijkheid, verhevenheid en belangeloosheid beschuldigen, ook niet als het om zijn opvatting over kunst en leven gaat. Iedere cynicus zegt in feite hetzelfde. Bij dat cynisme hoort dat Kippenberger zich zo breedkontig mogelijk zetelt in het centrum van wat hij zegt te verfoeien. Al zijn activiteiten zijn er op gericht geweest daar terecht te komen waar zijn ongeloof in de kunst begint: het museum. Alles wordt daar mythe en van steen.

Maar juist om zijn ongeloof in de kunst van musea heeft het museum hem omarmd - het herkent dat als een twintigste eeuwse traditie. Het museum weet allang dat de Grote Schoonmaak die kunstenaars als Kippenberger en Buren en Duchamp zeggen voor te staan, op geen enkele wijze bedreigend is voor de mystificerende werking van de kunsttempels. En de kunstenaars zelf weten dat ook. Met elkaar speelt men, tongue in cheek, het Spel van de Loutering.

En de kunst? De kunst is daarbij een pion, een armzalig object, bedolven onder de K's. De K van het meest uitgeholde kunstbegrip: kunst-rebel.

    • Anna Tilroe