Cats tegenover Kwakkernaat

Ik vraag me af wat mijn generatie van de dichtkunst had geweten als in de jaren dertig het poëzievijandige bondgenootschap tussen voetbal en televisie had bestaan. De kinderen die zijn opgegroeid terwijl 'Ajax zijn grote triomfen vierde' zijn belast met één overheersend gedicht uit die periode tevoorschijn gekomen:

We zijn er bijna,

We zijn er bijna,

Maar nog niet helemaal!

Op het gebied van de beeldende kunst hadden ze de voetbalplaatjes, genummerd en met de naam van de geportretteerde. Ik ken volwassen mannen van een jaar of vijfendertig, in de maatschappij goed terecht gekomen. Als ik zeg: 'Vierenveertig' dan is hun antwoord: 'Kwakkernaat!' In het voetbalplaatjesalbum had Thijs Kwakkernaat, speler van Excelsior dit nummer. Van alle ongeveer 120 nummers in het album wisten ze de naam die erbij hoorde. Hieruit kunnen we afleiden hoeveel tijd, liefde en concentratie de kinderen van deze Ajax-generatie aan het voetbal hebben geofferd. Toen ze op het toppunt van ontvankelijkheid en leergierigheid waren zijn via de televisie en de plaatjesalbums hun hersens met het voetbal gespoeld en hun ouders stonden machteloos.

In plaats van de televisie had ik een moeder die een poëtisch bric-à-brac in haar geheugen had en een vader die niet hield van de domineesgalm. Als mijn moeder aan het koken was en ik hield haar na het spelen gezelschap met een kopje thee en een koekje, kwam de poëzie. Cats, Van Alphen, Bilderdijk, Tollens, Dirk Witte stel ik tegenover Kwakkernaat. 'Reeds ruisen d'allereerste tonen, een hoge blos verft aller konen, verrukt ziet men elkander aan! Hoe zoet, hoe lieflijk zijn d'accoorden!' Dit komt uit het gedicht 'Bach te Dresden'. Ik heb hier niets bij de hand waarin ik de naam van de auteur kan opzoeken. Dan kwam mijn vader thuis. Hij zei bijvoorbeeld: 'Aai! Ziet, hoe lief'lijk 't is en schoon, als kind'ren uit éénzelfde huis als broeders samenwonen!'

Zo ging het natuurlijk niet iedere dag, zeg ik er voor alle zekerheid bij. Maar wel komt het hierop neer dat ik honderden van dergelijke regels zal onthouden zolang mijn geheugen werkt. Zo worden de fundamenten gelegd. Wat door de dichter is geschreven, wordt in het dagelijks leven zelden gezegd. Verrukt ziet men elkander aan. Een enkele keer denk je dat achteraf. En Aai! Het heeft een zekere bruikbaarheid, het werkt goed bij het opzeggen en misschien zou zo'n uitroep, net als O! en andere slakingen, gebruikt kunnen worden in een pop-artvorm van poëzie. Ik zou niet weten of het aanbeveling verdient, ik ben geen dichter, en de dichter zou het eens moeten proberen opdat de lezer er zelf over kan oordelen.

Maar afgezien van de schoonheid der poëzie, en het vermaak, is er een aantoonbaar nut. Gedichten, dichtregels, metaforen, gedurfdheden, poëtische waagstukken en ook erbarmelijke mislukkingen, de toon en de sfeer, dat alles hoort tot het gereedschap van degene die schrijft, mits het meteen klaar ligt in het geheugen. Daarmee bedoel ik niet dat de schrijver uit zijn voorraad zal plagiëren; juist niet. Door de grote verscheidenheid aan mogelijkheden die hij in de loop der jaren in zijn hoofd heeft opgeborgen zal het hem geleidelijk duidelijk worden hoe hij het zelf wil en hoe hij het moet aanleggen om zijn doel te bereiken. Dat is het nut van uit het hoofd leren: gereedschap verzamelen, en dat natuurlijk om het te gebruiken. Door het gereedschap goed te gebruiken maakt de ambachtsman iets waarvan hij zelf zal opkijken. De ambachtsvrouw ook natuurlijk.

Op deze manier komen we op den duur vanzelf in de situatie van de dichter zoals die door Du Perron is beschreven:

'De dichter zit in bed, de snor geknakt, de wangen ongeschoren, hem is beschoren, te zingen over al wat leeft.' Zo gaat het nog even door, hij zit in een twijfelaar naast zijn vrouw die voorzover ik me herinner, ook een signalement krijgt, en dan eindigt het: 'Geeft hij de sterke zoen der ongewassen tanden.'

Je kunt je dan voorstellen wat de vrouw van de dichter zegt. Dat wordt door Du Perron niet vermeld en daaraan herkennen we het vakmanschap. Poëzie, en proza trouwens ook, dragen bij tot een wetenschap die volledig is zonder dat alle feiten 'uitputtend' staan vermeld. Dat is het geheim. Het kan wel worden beoefend maar niet volledig worden gekend.

    • H.J.A. Hofland